Matteüs 6:13b en Efeziërs 3 | Het middelpunt

Inleiding

Afgelopen woensdag, met kerst,  had ik het even over The Crown, een serie op Netflix. Op het gevaar af dat jullie denken dat ik een verstokte bingewatcher ben, wil ik het nu over een andere serie hebben. Een van de beste series van de Nederlandse tv: Maestro.

In Maestro leren bekende Nederlanders een symfonieorkest dirigeren. Elke week wordt de slechtste dirigent naar huis gestuurd, tot in de finale de twee besten het tegen elkaar opnemen. Even een fragmentje uit de serie om in de stemming te komen:

https://www.youtube.com/watch?v=mTZm2B9Atxs

Ik had natuurlijk ook een fragment kunnen kiezen waar het allemaal wat minder in de soep liep -ik bedoel: dit is toch jammer van de muziek- maar zo laat het wel heel mooi zien hoe belangrijk de dirigent is. Als ik een ding van dit programma geleerd heb, dan is het wel dat die dirigent daar niet voor de show met zijn stokje staat te zwaaien. Alle muzikanten zijn gefocust op die ene vraag: hoe wil de dirigent dat we het spelen?

Doen ze dat niet, dan klinkt het nergens meer naar. Ok, in het filmpje van net ook niet, maar een goede dirigent maakt van al die losse muzikanten een eenheid. Als elke muzikant speelt zoals hij of zij denkt dat het mooiste is, dan wordt het een verschrikkelijke kakafonie: de een speelt zacht en gevoelig,  de ander zet het juist stevig neer, de een speelt langzaam en gedragen, terwijl een ander steeds probeert het tempo op te schroeven. Voor zo’n orkest, waar muzikanten zichzelf in het middelpunt plaatsen, in plaats van de dirigent het middelpunt te laten zijn, koopt niemand meer kaartjes.

Het middelpunt – dat is het thema vanochtend. Net als eigenwijze muzikanten  zien wij onszelf graag als het middelpunt van de wereld. Maar wij zijn niet het middelpunt – dat is God. Daarmee sluit het ‘Onze Vader’ af –  het gebed waar we voor de adventsperiode doorheen zijn gegaan: ‘Want aan u behoort het koningschap,  de macht en de majesteit, tot in eeuwigheid.’ Het sluit af met lofprijzing – God krijgt de eer. Net als met kerst het lied van de engelen: ‘ere zij God’. We lezen een uitgebreidere lofprijzing: Efeziërs 3:14-21.

1.   Afsluiting gebed

‘Want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit, tot in eeuwigheid.’ Het is de afsluiting van het gebed dat Jezus ons leert. Het lijkt me goed dat gebed als geheel even op te halen.

Het Onze Vader is een gebed dat heel duidelijk focust op God: bidden gaat er niet om dat God ons op onze wenken bedient, het gaat om God zelf. Bidden is een manier om dicht bij hem te zijn, van hem te genieten en je door hem te laten inschakelen voor zijn zaak. Dat is de eerste helft van het gebed: ‘laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden.’

Dan gaat het verder met dingen die dat in de weg kunnen staan. Je zorgen: die leg je bij God neer door te bidden ‘geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben.’ Je schulden, en de schulden van anderen naar jou: ‘vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven.’ En je strijd, de dingen die aan je trekken om je van God weg te houden: ‘breng ons niet in beproeving,  maar red ons uit de greep van het kwaad.’ Zorgen, schulden, strijd: het zijn dingen die in de weg kunnen staan dat je dicht bij God bent en van hem geniet. Daarom geef je ze aan God: ‘mijn zorgen zijn uw zorgen, mijn schulden neemt u op u, en mijn strijd is uw strijd.’ Zo staat het hele Onze Vader dus in het teken van God en zijn koninkrijk.

En dan gaat het dus verder met het zinnetje van vandaag: ‘want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit, tot in eeuwigheid.’ Daarmee is iets geks aan de hand: als je het Onze Vader opzoekt in Matteüs 6, hangt het af van de bijbelvertaling die je gebruikt of dit zinnetje er wel of niet in staat. In de Nieuwe Bijbelvertaling, die we in Menorah meestal gebruiken, is het zinnetje in een voetnoot beland: in de lopende tekst staat het niet,  en dan staat in een voetnootje: ‘andere handschriften lezen…’ en dan volgt het zinnetje van vandaag.

Wat is daar aan de hand? Misschien vind je dat totaal niet interessant, dan mag je nu even lekker ontspannen, want ik wil er wel iets over zeggen. Het Onze Vader kun je vinden in Matteüs. Matteüs heeft een keer, ergens in de eerste eeuw van onze jaartelling, het ‘evangelie volgens Matteüs’ opgeschreven. Maar niemand weet waar het origineel gebleven is. Waarschijnlijk is het al lang vergaan. Dat geldt trouwens voor alle boeken uit de oudheid: de originelen zijn al lang verdwenen. Dat we toch een bijbel hebben, is omdat mensen die originelen hebben overgeschreven. Die overgeschreven teksten  zijn op hun beurt ook weer overgeschreven, enzovoort. Dat was mensenwerk, dus bij het overschrijven ging wel eens wat mis. En zo kreeg je verschillende varianten van een bijbeltekst.  Overigens: maak dat ook niet te groot, de bijbel is vele malen preciezer overgeschreven dan welk boek uit de oudheid ook maar.

Maar van het Onze Vader zijn dus verschillende varianten. Waarschijnlijk heeft een overschrijver eens gedacht: ‘red ons van het kwaad’ – wat is dat een raar einde van een gebed, daar moet nog wat achteraan! En zo is dit zinnetje er in gekomen. Maar in de oudste teksten die we hebben, ontbreekt dit zinnetje. Waarschijnlijk komt het dus niet van Jezus, en ook niet van Matteüs.

Daarmee is het nog geen onzin geworden! In de bijbel is dit een heel gebruikelijke manier om een gebed mee af te sluiten. Het doet sterk denken aan een gebed van David in 1 Kronieken 29: ‘U, Heer, bent groots en machtig, vol luister, roem en majesteit. Alles in de hemel en op aarde behoort u toe, Heer, u bezit het koningschap en de heerschappij.’ Het is dus echt geen rare afsluiting van het Onze Vader. Bovendien: het hele gebed van Jezus ademt deze houding. Het hele gebed draait om God als middelpunt, en dit slot past daar perfect bij. Genoeg reden dus om er wel bij stil te staan. En dan mag nu iedereen die even was afgehaakt, weer inschakelen.

2.   Het middelpunt

‘Want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit, tot in eeuwigheid.’ Wat doe je als je die woorden bid?

Allereerst zeg je ermee: ‘God ik vertrouw u – bij u is mijn gebed in goede handen. Ik vraag u geen dingen die u niet kunt. Want van u is het koningschap en de macht.’ Paulus zegt het in Efeziërs 3 zo: ‘hij is bij machte oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken.’ Als je tot God bidt, ben je dus aan het goede adres! Je hebt niet even wat van gedachten gewisseld met iemand die er verder ook niets aan kan doen, die de tijd neemt om naar jouw verhaal te luisteren, en zegt: ‘tja, je zult begrijpen dat ik daar ook niets mee kan.’

Als je je bijvoorbeeld grote zorgen ergens over maakt, dan kun je met mij, of Hanneke, afspreken voor een pastoraal gesprek, en dan ben ik er om naar je te luisteren, ik probeer de goede vragen te stellen, ik kan tot op zekere hoogte met je  meelijden, maar ik kan niet zeggen: geef je zorgen maar aan mij. God kan dat wel – en daarom is het beste wat ik in zo’n gesprek kan doen, je helpen om je zorgen bij God neer te leggen. Want van God vraag je dan géén onmogelijke dingen! Wat trouwens niet betekent dat God alles wel even voor je oplost – wél dat je je zorgen bij hem loslaat.

God heeft de macht, en dat is een goede reden om te bidden. Om je leven júist met hem te delen.  Het is  goed om jezelf daar als je bidt ook aan te herinneren: ‘u bent veel meer dan de zoveelste met wie ik van gedachten wissel: u hebt alle macht en staat niet machteloos tegenover mijn gebeden. Daarom leg ik het in uw hand. Ik vertrouw het u toe – want ú bent God. Niet aan mij, niet aan wie ook maar, maar aan ú is het koningschap en de macht!’

Precies wat de magiërs uit het Oosten, waar we het met Kerst over hebben gehad, doen: met hun cadeaus zeggen ze: ‘van u is het koningschap, van u is de macht, daarom vertrouwen wij onszelf aan u toe.’

Dit slot van het gebed is dus zeggen dat je God vertrouwt – dat is het eerste. Dan het tweede: het is  ook een manier om God in het middelpunt te zetten, om God-centered te bidden – ik kan er geen mooi Nederlands woord voor vinden. Bidden draait niet om jou, maar om God, en met dit slot benadruk je dat, geef je alle aandacht aan God. ‘Aan hem komt de eer toe,’ zegt Paulus. God de eer brengen, de lofprijzing: het is het kloppend hart van het gebed. Hier draait het uiteindelijk allemaal om – dat je God in het middelpunt zet.

Aan hem is ‘de majesteit’. Voor ons is ‘majesteit’ de aanspreektitel van een koning, maar hier gaat het om iets anders. Gods majesteit is zijn heerlijkheid, zijn luister, het is dat God schitterend is! Gods majesteit betekent dat we nooit op hem uitgekeken raken, dat hij altijd weer nieuw is, altijd weer een verrassing, dat we een eeuwigheid nodig hebben om van zijn veelzijdigheid te genieten. Of, zoals Paulus het zegt: ‘dan zul je volstromen met Gods volkomenheid.’

Als je bidt: ‘aan u is de majesteit’, dan zeg je daarmee: ‘het gaat me niet om de dingen die u geeft, het gaat me om uzelf. Ik ben pas echt gelukkig als ik met u leef. U bent de vervulling van mijn diepste verlangens, Heer, ik verlang naar u.’

Op die manier God in het middelpunt zetten, is niet alleen iets voor als het goed met je gaat. Misschien ken je het bijbelverhaal van Job wel. Job is een rijke man die niets verkeerd doet, maar alles wat hij heeft kwijtraakt: zijn bezit, zijn kinderen, zijn gezondheid. Van de ene op de andere dag zit Job aan de grond. En wat zegt hij dan? ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen,  de naam van de Heer zij geprezen.’ Dit is een van de wonderlijkste uitspraken van de bijbel. Als je alles kwijt bent, door toedoen van God, want er staat: ‘de Heer heeft genomen’, hoe kun je God dan nog prijzen? Dat kan Job alleen omdat het hem niet gaat  om wat God doet, om wat God geeft, maar om God zelf: God is het middelpunt van Jobs leven, en daarom kan Job niet anders dan hem prijzen, zelfs nu hij zo diep gezonken is.

Hetzelfde zie je bij de profeet Habakuk: ‘Al zal de vijgenboom  niet bloeien, al zal de wijnstok niets voortbrengen, al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen, al zal er geen koren op de akkers staan, al zal er geen schaap meer in de kooien zijn en geen rund meer binnen de omheining –  toch zal ik juichen voor de Heer, jubelen voor de God die mij redt.’ Dat is echt God in het middelpunt.

Precies wat die magiërs ervaren: als zij het huisje in Betlehem gevonden hebben, ervaren zij diepe vreugde, beseffen ze dat het kind dat ze gevonden hebben het middelpunt is van het heelal.

3.   Jij uit het middelpunt

Het slot van het Onze Vader stimuleert je dus om op God te vertrouwen en om hem centraal te stellen. En dat houdt natuurlijk niet op met bidden: het is een manier van leven. God is het middelpunt van je leven, en dat betekent dat jij uit het middelpunt moet.

Hoe doe je dat? Dit is niet bepaald een kleine verandering: dit is niets minder dan een omslag in hoe je denkt,  een verandering van je mentaliteit. Dat begint uiteraard met dat je daar om bidt, maar dan moet je er ook mee gaan oefenen: oefenen met God in het middelpunt zetten. Door regelmatig tijd te nemen voor God, maar ook door jezelf te leren bij keuzes steeds de vraag te stellen: hoe zet ik hierin God centraal, hoe kan ik God hierin eren, in plaats van: waar heb ík het meeste aan?

Het is goed dat voor jezelf te doen, maar ook om het samen te doen: daar zijn we kerk voor. Om elkaar te helpen God de eer te geven, in je gebeden, in je dagelijks leven, in je keuzes. Je hoeft het niet allemaal zelf uit te vinden.

En zoals de muziek  veel beter klinkt als niet elke muzikant in het middelpunt staat, maar iedereen naar de dirigent luistert, zo worden ook onze levens mooier als wij uit het middelpunt stappen, en God in het middelpunt zetten. Dat is geen straf – het is een bevrijding!

Nog één keer Paulus: ‘Dan zult u met alle  heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.’ Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: