Zelfs als het lijkt alsof alles mis gaat, mogen christenen onverstoorbaar optimistisch zijn.
Inleiding
Er zijn pessimisten, optimisten, superoptimisten, en er is mijn eigen dochter – optimist in de buitencategorie. Trouwe lezers van de Eva-column van mijn betere helft, die wisten dat al. Maar voor de rest toch even het verhaal. Een maand geleden was dochterlief jarig, en al vanaf begin september was ze heel duidelijk over wat ze wilde hebben: een slee. ‘Weet je dat wel zeker?’ Een slee kun je alleen in de winter gebruiken. En dan moet er maar net toevallig sneeuw liggen. Afgelopen winter hebben we natuurlijk een lekker pak sneeuw gehad. Maar ja, wat vorige winter gevallen is, valt deze winter niet meer… Dan heb je een slee, en dan gaat het 5 jaar niet sneeuwen. Toch een beetje jammer als je dan een slee voor je verjaardag hebt gekregen. Maar nee, dochterlief was niet op andere gedachten te brengen: ze moest en zou een slee hebben. Vol vertrouwen dat er wel weer sneeuw zou komen. Een preek over klimaatverandering had ook geen effect. Zoals ik al zei: ze is optimist in de buitencategorie – onverstoorbaar optimistisch.
En dat is direct het thema van vanmorgen: onverstoorbaar optimistisch. Want christenen mogen ook onverstoorbaar optimistisch zijn – zélfs als het lijkt alsof alles mis gaat. Laten we lezen: Matteüs 24:1-14.
1. Optimistisch?!
Ok, dit was misschien niet helemaal de tekst die je verwacht had bij dat thema – onverstoorbaar optimistisch. Wat een ellende past er in zo’n klein stukje bijbel. En dan hebben we alleen nog maar het begin gelezen: in de rest van het hoofdstuk gaat het nog wel even zo door.
In dit korte stukje uit Jezus’ eindtijdrede is het een en al ellende: misleiding, oorlogen, hongersnoden, aardbevingen, onderdrukking, haat, verraad, liefdeloosheid – het houdt maar niet op. Hoezo zou je als christen onverstoorbaar optimistisch zijn, als er zulke pessimistische dingen in de bijbel staan?!
En als het dan nog zo zou zijn, dat dit wel in de bijbel staat, maar dat wij gelukkig in een véél betere wereld leven… Maar ik vind het allemaal té herkenbaar: Jezus geeft hier een behoorlijk adequate omschrijving van onze wereld. Onze wereld is ziek – en niet zo’n beetje ook. En het coronavirus, een ramp die zo in dat rijtje van Jezus zou passen, laat maar weer zien hoe ziek de wereld is. Niet alleen omdat het virus mensen ziek maakt, maar ook om hoe het mensen tegen elkaar opzet. Als je alle ellende in de wereld goed tot je laat doordringen, dan lijkt er weinig aanleiding om optimistisch te zijn – je zou eerder alle hoop verliezen.
Wat mij ook niet direct optimistisch maakt, is dat dit hoofdstuk uit de bijbel misbruikt wordt om allerlei theorieën over de eindtijd aan op te hangen. En meestal zijn dat geen theorieën waar je vrolijk van wordt. Net als dit hoofdstuk trouwens – als je het oppervlakkig leest. Bij mij werkt het zo dat als ik dingen lees over dat corona het teken is dat Jezus nú echt terugkomt, dat ik dan heel erg aan mijzelf begin te twijfelen. Niet dat ik niet wil dat Jezus terugkomt –liever vandaag dan morgen- maar wel dat ik denk: ‘ben ik dan zo blind dat ik het niet zie?’ En dan haak ik af.
2. Onverstoorbaar optimistisch
Toch hoop ik dat je bij dit hoofdstuk niet afhaakt. Dit hoofdstuk staat niet in de bijbel om je bang te maken – dit hoofdstuk staat in de bijbel om je aan te moedigen vol te houden, om je niet gek te laten maken door alles wat je om je heen ziet gebeuren, maar om onverstoorbaar optimistisch te worden of te blijven!
Je moet dit hoofdstuk niet lezen als een stappenplan, als een soort thermometer die aangeeft hoeveel ellende er nog moet komen voor Jezus terugkomt. Zoals je bijvoorbeeld bij een crowdfundingsactie hebt: er moet, zeg, 20.000 euro worden opgehaald, daarvan is 15.000 al binnen, en dat zie je dan in zo’n mooie thermometer, en bij 20.000 euro is het helemaal klaar. Nou, dat is dit hoofdstuk dus niet! Het is niet dat als we er nog een paar schepjes ellende bovenop doen, dat de thermometer dan zijn hoogste punt heeft bereikt, en Jezus dan terugkomt.
Je moet helemaal niet gaan rekenen aan Jezus’ terugkomt. In het stukje dat we hebben gelezen zegt Jezus al: ‘pas op dat niemand jullie misleidt.’ Even verderop wijdt Jezus daar nog wat meer over uit: ‘als iemand tegen jullie zegt: “kijk, dit is de messias”, of: “daar is hij” – geloof dat dan niet.’ En dat kun je zo doortrekken naar alle voorspellingen: geloof ze niet! ‘Wánt’, zegt Jezus nog weer verder in het hoofdstuk, ‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken. De Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het níet verwacht.’
Daar komt nog bij dat dit hoofdstuk over meer gaat dan de terugkomst van Jezus. Jezus is net in de tempel geweest, en Jezus’ leerlingen zijn diep onder de indruk van de tempel. Ze praten enthousiast na over dit lichtpuntje in Israël. Maar Jezus deelt niet in hun enthousiasme: ‘Ik verzeker jullie: geen enkele steen zal op de andere blijven, alles zal worden afgebroken!’ En dan vragen de leerlingen: ‘wanneer zal dat allemaal gebeuren?’ Vanaf dat moment in het verhaal, loopt het door elkaar heen: aan de ene kant de verwoesting van de tempel, aan de andere kant de terugkomst van Jezus.
En die tempel, die ís al verwoest – door de Romeinen in het jaar 70. Slechts 1 muur overleefde het Romeinse geweld: de Klaagmuur. Verder is de tempel met de grond gelijk gemaakt. En alle rampen die Jezus hier beschrijft, hebben ook vóór het jaar 70 al plaatsgevonden. Dat is niet het énige waar het in de hoofdstuk over gaat, het gaat óók over Jezus’ terugkomst, maar dat maakt het wel heel moeilijk om dit hoofdstuk te lezen als spoorboekje naar de komst van Jezus.
Maar hoe moet je het dan wel lezen? Eigenlijk heel simpel: Jezus drukt ons hier op het hart dat rampen hem niet tegenhouden. Want dat zouden Jezus’ leerlingen, en wij, zomaar kunnen denken. Als je een beetje om je heen kijkt in de wereld, hoort van een oorlog hier, een natuurramp daar, en dan nog een pandemie er overheen, dan zou je zomaar denken dat Jezus ons vergeten is. Anders had hij toch al lang wat gedaan?!
Maar Jezus zegt: ‘laat het je niet verontrusten.’ Ja, de wereld is verziekt, er gebeurt op deze wereld van alles wat niet past bij hoe God de wereld bedacht heeft. Maar maak er niet uit op dat God de wereld vergeten is, laat je niet gek maken! Die rampen zeggen niet dat het dom is op Jezus te hopen – want Jezus heeft zelf gezegd dat tot zijn terugkomst de aarde echt niet altijd een fijne plek is om te zijn. Maar die rampen hebben niet het laatste woord – dat heeft God, en daarom is er alle reden om onverstoorbaar optimistisch te blijven.
Die rampen zijn dus niet perse een teken dat het nu bijna is afgelopen – op de ‘wanneer’-vraag van zijn leerlingen geeft Jezus gewoon geen antwoord. Maar die rampen zou je wel als een teken kunnen zien, als een herinnering aan dat God nog niet klaar is.
Ik kom nog wel eens de gedachte tegen dat het nu aan ons is om de wereld beter te maken. Wíj moeten het klimaat redden. Wíj moeten corona onder controle krijgen. Wíj moeten de wereld eerlijker maken. En dat zijn stuk voor stuk goede dingen om je voor in te zetten. Maar uiteindelijk lukt het ons gewoon niet. Ja, misschien boeken we wel resultaat, maar dan duikt gewoon het volgende probleem weer op. Elke ramp die op de aarde afkomt, is een herinnering aan ons onvermogen om van deze wereld een betere plek te maken. Het lúkt ons gewoon niet Gods koninkrijk op aarde te vestigen – en gelukkig is dat ook niet wat God van ons vraagt.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van de coronacrisis: voor een betere wereld hebben we God nodig. Ja, hij schakelt mensen in, maar uiteindelijk is het aan hem! Elke ramp waar wij niets tegen kunnen beginnen, is een herinnering aan dat wij God nodig hebben – voedt het verlangen naar de terugkomst van Jezus, die zijn koninkrijk zal vestigen op aarde. Want God is nog niet klaar met ons – met Jezus’ hemelvaart zei hij niet: ‘nu weten jullie hoe het moet – succes ermee.’ Alsof Gods koninkrijk aanbreekt als wij maar ons best doen. Nee: Jezus komt terug, en hij maakt het af! En daarom kunnen christenen, ondanks alles wat er in de wereld gebeurt, en ondanks ons onvermogen de wereld echt beter te maken, tóch onverstoorbare optimisten blijven!
3. Symbool van hoop
Met dat optimisme denken we vandaag speciaal aan de overledenen. Elke dag weer gaan er mensen dood, en elke keer dat dat gebeurt, is dat hartverscheurend. Als je dat van dichtbij meemaakt, zou je zomaar de moed verliezen. Omdat het leven iets van haar kleur verliest door het gemis. Maar: God is nog niet klaar! Jezus kómt terug, en dan blijkt dat de dood niet ons eindstation is. Daarom weiger ik toe te geven aan cynisme, weiger ik de liefdeloosheid, weiger ik mijn optimisme, mijn hoop op te geven.
Daarom steken we zo kaarsjes aan. Lichtjes als symbool van hoop. Als je zo een kaarsje aansteekt, is dat een statement: ik weiger de moed te verliezen. Ik weiger te geloven dat de dood het laatste woord heeft, en dat we de overledenen maar beter kunnen vergeten. Tegen alle stromen in wil ik onverstoorbaar optimistisch blijven. Want God is nog niet klaar met ons – hij gaat grote dingen doen! Amen.
