Genesis 21 | Voor iedereen

1.   Sluit God buiten?

Wie hier regelmatig komt, is het van mij niet zo gewend, maar vandaag wil ik eens direct met het bijbelverhaal beginnen. We gaan zo luisteren naar een verhaal uit het leven van Abraham. Als je hier in de afgelopen weken meer bent geweest, zal dat je bekend voorkomen: al 3 keer eerder ging het over Abraham. En volgende week, in de creatieve dienst, gaat het nog 1 keer over Abraham.

Laten we even opfrissen waar in het verhaal van Abraham we zitten.  Het begon allemaal met Abraham die een stem hoorde, de stem van God. ‘Abraham,’ had die stem gezegd, ‘ik heb grote plannen met jou, en daarvoor moet je een nieuw begin maken: je moet je leven hier helemaal loslaten. Ik zal je een nieuw land wijzen waar je moet wonen. Je zult stamvader worden van een groot volk, dat volk zal wonen in het land dat ik je beloof, en jij en jouw familie zullen een zegen zijn voor de wereld.’ En Abraham ging op reis.

Maar als Abraham 5 jaar in het land Kanaän is, slaat de twijfel toe. Komt er nog wat van, met die beloften van God? Het is niet zo gek dat Abraham zich dat afvraagt, want inmiddels is hij 80 en Sara 70. Maar kinderen hebben ze niet – en het lijkt er ook niet op dat die nog komen. Toch neemt God Abrahams twijfel weg – voor een tijdje. Weer 5 jaar later is er nog steeds niets gebeurd, en komt Sara met een idee: ‘neem mijn slavin Hagar maar als bijvrouw, zij kan een kind voor ons krijgen.’ Zo gezegd, zo gedaan, en op zijn 86e wordt Abraham vader van Ismaël. Eind goed, al goed – zou je denken. Maar het verhaal gaat verder, want God is wel degelijk van plan Abraham en Sara sámen een zoon te geven. En daar gaan we nu verder lezen: Genesis 21:1-21.

We gaan proberen ons wat meer in dit verhaal in te leven. De hoofdpersonen zijn: Abraham, Sara, Isaak, Hagar en Ismaël. Wie van deze hoofdpersonen vind jij het meest sympathiek? Bespreek die vraag even in kleine groepjes: wie heeft in dit verhaal jouw sympathie – Abraham, Sara, Isaak, Hagar of Ismaël? (plenair ophalen)

Ik kan niet zo goed kiezen. Ik heb bewondering voor Abraham, omdat hij Sara nu eindelijk eens tegengas geeft. Ik voel mee met Hagar en Ismaël, die zó oneerlijk worden behandeld. Peuter Isaak, met zijn schaterlach, vooral als je dreigt hem te gaan kietelen, steelt ieders hart – dus ook dat van mij. Maar Sara…? Wát een akelig mens is dat! ‘Jaag die slavin en haar zoon weg.’ Dat is toch onmenselijk? Eerst bedenk je dat Hagar draagmoeder van je kind moet worden, en pak je daarmee het leven van Hagar af. Maar nu je toch zelf nog een kind hebt gekregen, kan Hagar vertrekken?! Waar moet ze naartoe? Dit wordt haar dood! Nee, Sara hoeft niet op mijn sympathie te rekenen.

Daarom vind ik het verschrikkelijk lastig dat Gód de kant van Sara kiest. ‘Alles wat Sara je vraagt, moet je doen.’ Uiteindelijk is het niet Sara, maar God die Abraham de opdracht geeft om Hagar en Ismaël weg te sturen. Dat roept bij mij de vraag op: alle mensen zijn toch gelijk? Is het bij God nu ook al zo dat sommige mensen meer gelijk zijn dan anderen? Is het echt zo dat God mensen buitensluit? Zo van ‘jij hoort erbij, jij niet, jij wel, en jij: wegwezen.’

2.   Voor iedereen

Om direct maar antwoord te geven: ik geloof dat niet. Bij God is iedereen welkom. Gods liefde is er voor iedereen, Gods liefde is nog veel groter dan wij kunnen bedenken. En ik heb ontdekt dat het ook in dit verhaal daar over gaat: niet over een God die buitensluit, maar over een God met liefde voor iedereen. Ik wil jullie daar graag in meenemen.

Als je toevallig in de buurt bent van het tentenkamp van Abraham, hoor je vanuit de verte de muziek je al tegemoet komen. Kom je nog wat dichterbij,  dan hoor je dat het er een gezellige boel is waar veel wordt gelachen. Stralend middelpunt van het feest is peuter Isaak. ‘Hij lacht’ betekent zijn naam – en hij doet zijn naam eer aan. Hij kraait van plezier om al die mensen die even met hem stoeien. En Isaak is niet de enige die lacht: op dit feest is iedereen vrolijk. Isaak heeft de lach teruggebracht in huize Abraham. Vandaag is het feest omdat Isaak niet meer van de borst drinkt. In die tijd was de kindersterfte erg hoog: veel kinderen stierven in de eerste jaren van hun leven. Tegen de tijd dat ze geen borstvoeding meer nodig hadden, als ze een jaartje of 3 waren, was het grootste risico geweken. Een moment dus om te vieren.

Ook op het feest is Ismaël – de andere zoon van Abraham. Hij is al ongeveer 17, en vermaakt zich prima op het feest – misschien mag hij van Abraham wel zijn eerste biertje drinken. Iedereen lacht, en Ismaël lacht mee. Volgens de bijbelvertaling die we net lazen, lacht hij ‘spottend’, maar dat is een interpretatie die is toegevoegd. Ismaël lacht, en daar is niets mis mee. Maar als Sara Ismaëls lach boven alle andere geluiden uit hoort, is het alsof ze door de bliksem wordt getroffen.  Het ligt niet persé aan Ismaël, maar opeens komt het besef keihard bij haar binnen: Ismaël en Isaak – die twee kunnen niet samen. Ismaël is aan het lachen, in het Hebreeuws: aan het Isaaken. En Sara beseft: er kan er maar één de erfgenaam zijn, en als Ismaël blijft, is hij het – neemt hij de plek van Isaak in. Daarom moet Ismaël weg.

Bij Sara lijkt het te gaan om iets betrekkelijk triviaals: wie de tenten, kuddes en personeel van haar en Abraham erft. Bij God gaat het om meer. Dit is namelijk geen willekeurige familie: God heeft deze familie uitgekozen  om door deze familie zijn zegen terug te brengen in de wereld. De vraag is dus niet alleen: ‘wie gaat er met de erfenis vandoor?’, maar vooral: ‘langs welke weg brengt God zijn zegen?’  Is dat via Ismaël, of via Isaak? Later schrijft Paulus daar uitgebreid over in Galaten 4. Waar het in het kort op neerkomst: het bestaan van Ismaël is er aan te danken dat Abraham en Sara niet langer konden geloven in Gods beloften, en daarom God een handje dachten te moeten helpen door zelf maar een kind te regelen bij slavin Hagar. Maar Gods zegen komt niet de wereld in  door mensen die het zelf allemaal wel oplossen, door mensen die hun eigen redding bij elkaar knutselen. Voor Gods zegen hoeven wij niets te doen – het is pure genade.

Dat is wat hier op het spel staat: kiest God voor Ismaël?  Dan vraagt God een hoge eigen bijdrage voor zijn zegen. Of kiest God voor Isaak? Dan wint genade! God kiest voor die laatste weg. Het is de weg die naar Jezus loopt. Je kunt Gods zegen niet verdienen –  je hoeft alleen maar te vertrouwen op Jezus.

Daarom kan er ook in de kerk, in de familie van Jezus, alleen maar ruimte zijn voor genade. Het verschil tussen wie christen is en wie niet, is niet dat christenen betere mensen zouden zijn. Het verschil is dat christenen beseffen dat ze God nodig hebben, dat ze niet zichzelf gelukkig kunnen maken, maar dat ze het van God krijgen – als pure genade. Denk niet dat je als christen beter bent, dat je als christen meer recht hebt op een gelukkig leven: God gaat de weg van genade!

Maar Ismaël en Hagar dan? Worden zij hier opgeofferd voor die genade? Dat klopt toch van geen kanten? Als het aan Sara ligt, hebben Hagar en Ismaël inderdaad pech gehad. Maar als het aan God ligt niet! God weet dat Abraham het niet over zijn hart kan verkrijgen zijn eigen zoon en bijvrouw weg te sturen, de woestijn in, een langzame dood tegemoet. ‘Abraham – jij moet ze loslaten. Maar weet dat ík ze niet loslaat: je mag ze aan mij overlaten.’ De volgende ochtend neemt Abraham, met pijn in zijn hart, afscheid.

Hagar en Ismaël belanden in de woestijn, en de voorraden die Abraham hen had meegegeven, slinken snel. Een paar dagen geleden hadden ze nog gelachen op het feest, maar nu valt er niets meer te lachen: Hagar huilt en Ismaël kermt. Ismaël – ‘God hoort’ betekent zijn naam. Dat is precies wat nu gebeurt: God hoort het huilen en kermen, en grijpt in. Moeder en zoon zullen niet sterven van de dorst. In plaats daarvan krijgen ook zij van God een zegen: uit Hagar en Ismaël zal óók een groot volk komen!

God kiest voor Isaak, maar dat betekent niet dat Ismaël wordt buitengesloten, dat hij afgesneden is van Gods liefde. Gods liefde is zoveel groter dan voor Abrahams familie. Gods liefde is zoveel groter dan voor de kerk, de familie van Jezus. Ja, die familie heeft een bijzondere plek, maar het bijzondere van die plek is niet dat zij meer geliefd zijn door God dan hen die buiten de familie staan. Gods liefde is veel groter dan de muren van de Menorah-familie. Het bijzondere is dat deze familie de taak heeft gekregen om de liefde van God door te geven. Gods liefde is er voor iedereen!

3.   Aandacht II

Daarmee kom ik eigenlijk op precies hetzelfde uit als vorige week: heb aandacht voor de mensen die jij deze week tegenkomt, zeker ook voor de mensen van buiten de Menorah-familie. En dat lijkt me een opdracht die belangrijk genoeg is nog eens te  herhalen. Deze week is het bovendien de week tegen eenzaamheid. Een prachtige week om oprechte aandacht voor mensen te hebben. Om net als God, ja: namens God, mensen te horen, naar hun verhaal te luisteren, te delen in elkaars leven, en te beseffen: die ander is voor God net zo geliefd als ik. Want genade is voor iedereen! Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: