We worden graag gezien. Soms spelen we verstoppertje, maar hoe mooi is het dat je je niet hoeft te verstoppen omdat je er mag zijn.
‘1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, wie niet weg is, is gezien – ik kom!’ Ik denk dat verstoppertje de enige gelegenheid in het leven is dat we niet gezien willen worden. Voor alle andere situaties geldt: ‘kijk naar mij – zie mij!’
Het is echt niet leuk als je iets op je favoriete social media platform plaatst, iets waar je trots op bent, en er is precies 1 persoon die je bericht of foto liket. Is er dan echt maar 1 die jou ziet? Terwijl als je 50, of 100, of 500 likes scoort, je je weer helemaal gewaardeerd voelt.
Ik wordt ook graag gezien. Daarom ga ik maar eens per halfjaar naar de kapper: dan valt het tenminste op en zeggen jullie er wat van. Dan wordt ik weer even gezien. Of eigenlijk wordt dan gezien dat mijn haar anders zit. Dat heeft niet zo heel veel te maken met wie ik echt ben en wat mij op dat moment bezig houdt. Echt gezien worden gaat veel dieper. En ik geloof dat iedereen daarnaar verlangt: gezien worden. Geen verstoppertje hoeven te spelen, omdat je er mag zijn.
Gezien worden – daarover gaat het vandaag. We gaan verder met het verhaal van Abraham. In dat verhaal ontmoeten we Hagar. Zij wordt niet gezien door Abraham en Sara – maar wel door God! Laten we naar haar verhaal luisteren: Genesis 16.
1. Wachten op beloften
Abraham en Sara wonen alweer 10 jaar in Kanaän. Tijd voor een feestje, zou ik zeggen. Want jubilea moet je vieren. Maar voor Abraham en Sara is er weinig reden tot feest. 10 Jaar geleden hadden ze al hun schepen achter zich verbrand, ze hadden hun vrienden en familie achtergelaten in de wetenschap dat ze hen nooit meer zouden zien, omdat Abraham de stem van God had gehoord. Die stem had opdracht gegeven te emigreren naar Kanaän. Want God had grote plannen met Abraham en zijn nakroost. 3 Beloften had God gedaan: 1 – Abraham zou stamvader worden van een groot volk, 2 – dat volk zou het land Kanaän krijgen, en 3 – dat volk zou een zegen voor de hele wereld zijn. Met die beloften op zak waren ze gegaan.
Inmiddels zijn we 10 jaar verder. Abraham en Sara zijn er in die jaren niet jonger op geworden. Abraham is 85, Sara 75, en de kans dat zij ooit nog kinderen zullen krijgen neemt exponentieel af. Steeds vaker slaat de twijfel toe: God heeft het dan wel beloofd, maar we wachten nu al zo lang… Twee weken geleden hebben we het uitgebreid gehad over dat Abraham het niet meer kon geloven. Toen kwam God zelf naar Abraham toe, om de plechtigste afspraak te maken die maar mogelijk was: een verbond. Maar ook dat is alweer 5 jaar geleden, en er is nog altijd geen kind. Weer slaat de twijfel toe.
2. Gezien!
‘Ben je wakker, Abraham?’ ‘Ja, Sara.’ ‘Waar denk je aan?’ ‘Ik vraag me af of we gek zijn. Waar blijft dat beloofde kind toch? Kijk nou, ik ben een oude kerel geworden, en jij zult altijd mijn jonge blom blijven, maar jij bent ook al 75.’ ‘Weet je, Abraham, ik heb zitten denken. Misschien hebben we God gewoon verkeerd begrepen. We dachten dat jij en ik samen een kind zouden krijgen, maar het is nu wel duidelijk dat dat niet gaat werken. Misschien moeten we wat meer initiatief tonen. Jij moet er een bijvrouw bij nemen – neem Hagar maar. Als zij een kind krijgt, telt dat kind als een kind van ons. Afgesproken?’ Abraham haalt zijn schouders op. ‘Ok.’
En zo wordt Hagar gebombardeerd tot draagmoeder. In die tijd helemaal niet zo vreemd. Later zal Abrahams kleinzoon Jakob precies hetzelfde doen, door Bilha en Zilpa als bijvrouwen te nemen, de slavinnen van zijn vrouwen Lea en Rachel. De zonen van die bijvrouwen tellen gewoon mee als stamvaders van de 12 stammen van Israël. In onze tijd is het trouwens ook helemaal niet zo vreemd. Het enige verschil is dat we de seks eruit hebben gehaald, terwijl Hagar toch echt seks met Abraham heeft om zwanger te worden.
Het probleem in dit verhaal van Hagar is niet dat God zo’n draagmoederschap per definitie afkeurt – al geeft de bijbel ook echt wel aanleiding daar heel voorzichtig mee te zijn. Maar het probleem hier is dat Abraham en Sara de belofte van God proberen te forceren. Ze vinden dat ze wel lang genoeg hebben gewacht, wat op zich goed mee te voelen is, dus nemen ze het heft in eigen handen. Met de beste bedoelingen: ze denken echt dat ze God hiermee een dienst bewijzen. Maar wat ze daarmee in feite doen, is dat ze Gods belofte afdwingen.
Dat is nog altijd een valkuil. Dat als God iets belooft, dat je hem dan voor de voeten gaat lopen door het zelf te regelen. Dat kan in je persoonlijke leven, bijvoorbeeld met Gods belofte dat je al je zorgen bij hem mag brengen, maar je ondertussen alle mogelijke risico’s in je leven uitbant. Maar ik wil het nu even over een andere vorm hebben van Gods beloften forceren. De kerk is daar namelijk ook best goed in. Jezus heeft belooft dat zijn koninkrijk komt, dat hij spoedig komt, maar we zitten nu al 2000 jaar te wachten. Wat doe je als kerk, als Jezus’ komst uitblijft? Precies: dan doen we het zelf wel – dan vestigen wij dat koninkrijk van God wel. Eeuwenlang hebben kerken de macht in handen gehad, hebben kerken het voor het zeggen gehad, en kon je het maar beter niet met een dominee oneens zijn. Nog steeds willen we als kerk graag invloed hebben. En als dat niet lukt, moeten we op z’n minst de kerk zelf zuiver houden. Bijvoorbeeld met geharnaste uitspraken over homoseksualiteit en over de positie van vrouwen in de kerk – zoals onze synode doet. We willen Gods koninkrijk afdwingen. Met de beste bedoelingen: we dachten God er een dienst mee te bewijzen. Maar als wij denken dat wíj Gods beloften moeten vervullen, dat God óns daarvoor nodig heeft, dan maken we slachtoffers. Gods koninkrijk komt van God, niet van ons!
Hagar is zo’n slachtoffer. Aan Hagar wordt niets gevraagd. In die tijd was dat ook helemaal niet gek, maar toch: of je je even wilt uitkleden voor een oude man, zodat hij je zwanger kan maken. Maar Hagar zelf wordt niet betrokken, wordt niet gezien. Bekeken – dat wel. Sara bekijkt haar, en ziet een draagmoeder voor haar kind. Abraham bekijkt haar naakte lichaam, en Hagar voelt zich bekeken. Het is niet gek dat deze nieuwe verhoudingen voor problemen zorgen. ‘Hagar verloor elk respect voor haar meesteres,’ staat er. Dat kun je op allerlei manieren invullen. Snel wordt ervan gemaakt dat Hagar zich beter voelt omdat zij wél zwanger kan worden. Maar ik kan me goed voorstellen dat ook meespeelt dat Hagar door niemand wordt gezien, dat zij haar lichaam maar ter beschikking moet stellen omdat Sara haar dat opdraagt. Hoe dan ook: de situatie wordt onhoudbaar, en Hagar trekt aan het kortste eind – zij moet het veld ruimen.
Een kerk die de machtskaart trekt, maakt ook slachtoffers. Deze zomer kwam ik, in een artikel, voor het eerst het woord ‘kerkpijn’ tegen. ‘Kerkpijn,’ stond erin, ‘gaat over afwijzing, veroordeling of misbruik door ouders, voorgangers of gemeenteleden onder verwijzing naar de bijbel en God.’ Helaas komt kerkpijn heel veel voor. Vorige week sloeg ik mijn favoriete krant open, en las daar een dikke kop: ‘gelovigen zijn vaak beter af zonder dominee.’ Ik weet niet of jullie dat ook zo ervaren… Het was een interview met Reinier Sonneveld, over zijn nieuwe boek over manipulatie in religieuze groeperingen. Met diezelfde kerkpijn: over hoe mensen onder druk kunnen worden gezet met de uitspraak ‘God wil dit’; over hoe mensen veroordeeld worden om wie ze zijn, of omdat ze zich niet in het straatje willen voegen, Vaak kunnen deze mensen niet meer geloven dat áls er al een God bestaat, God hen wél zou accepteren. Net als Hagar worden ze wel bekeken, maar niet gezien.
Daar gaat Hagar. Ze is op de vlucht. Ze weet niet waar ze naartoe moet, maar alles is beter dan leven bij Abraham en Sara. En daarmee lijkt het probleem zichzelf weer op te lossen: het was helemaal niet de bedoeling dat Abraham met Hagar een kind zou krijgen, dus mooi dat Hagar het toneel nu via een zijdeurtje verlaat. Maar God wil Hagar niet op deze manier uit het verhaal schrijven: ze mag niet ongezien verdwijnen! God gaat Hagar achterna. En belangrijker dan alles wat er gezegd wordt, is dat Gód oprechte aandacht heeft voor Hagar. Hij ziet Hagar zoals ze is, met haar angst, met haar schaamte, met haar twijfel, en voor het eerst voelt Hagar: ‘ik mag er zijn’.
Dan gebeurt er iets heel bijzonders: Hagar geeft God een naam – ‘God van het zien.’ Daarmee is ze de enige in de hele bijbel die zélf een naam aan God geeft. Op deze wereld lopen 3 mensen rond die ik een naam heb gegeven. En dan ook nog in goed overleg met mijn betere helft. Iemand een naam geven is iets heel intiems. Hagar doet het: ze geeft God een naam. En wát voor naam: ‘God van het zien.’ God ziet je, bij God wordt je gezien – het is de boodschap van de hele bijbel in een notendop. Zo’n 2000 jaar later ervaart een andere jonge vrouw precies hetzelfde: ‘hij heeft oog gehad voor mij!’ – zingt ze. Het is Maria, de moeder van Jezus, ook wel Immanuël genoemd: God met ons.
God met ons, God die je ziet, God die je niet zomaar uit zijn verhaal wegschrijft: wat is dat goed nieuws voor mensen met kerkpijn! Wat zijn er veel mensen afgeknapt op een kerk die machtig wil zijn. Wat heeft de kerk mensen veroordeeld die niet in het plaatje passen. Misschien ken je zelf zulke mensen. Misschien vóel je jezelf wel zo iemand – afgeschreven door de kerk. Maar bij God wordt niemand afgeschreven – kijk maar naar Hagar. Hoe ver je ook vlucht: God ziet je, je mag er zijn!
Dat geldt trouwens niet alleen voor mensen met kerkpijn. Iedereen wil gezien worden – dat is een basisbehoefte van mensen. Soms verstop je je misschien, omdat als je gezien wordt je ook pijn gedaan kan worden, maar uiteindelijk verlangt iedereen er naar te horen: ‘ik zie je – en wat ik zie is prachtig.’ God zegt het, ook tegen jou: je bent gezien! Want God is een ‘God van het zien’.
Dat maakt het trouwens niet minder pijnlijk dat wij elkaar vaak niet zien. Vaak zijn we zo druk met onszelf en met hoe wij denken dat het moet, dat we vergeten elkaar te zien. Maar als God een God van het zien is, dan moeten wij ook mensen van het zien worden. Laten we als kerk daarom bescheiden zijn, de eerste om onze fouten toe te geven, en vooral: mensen zien!
3. Aandacht
Sommigen van jullie hebben daar echt een gave voor. Ik heb in Menorah gelukkig regelmatig de ervaring dat ik me gezien voel. En echt niet alleen omdat ik hier op het podium sta en het vrij lastig is mij niet te zien. Maar ook op een dieper niveau voel ik me echt wel gezien, voel ik dat ik er gewoon als mens, met mijn vragen, met mijn zwakke plekken, mag zijn. Dat heeft alles te maken met oprechte aandacht.
Laten we daar maar veel mee oefenen. Ik wil je vragen de mensen die je deze week ontmoet, niet alleen te bekijken, maar ook te zien! Geef de mensen die jij tegenkomt echte aandacht. Oordeel niet. Vraag even door. Maak complimenten. En weet dat jij ook gezien bent! Amen.
