Marcus 2:1-12 | Ongevraagd

Inleiding

Een vraag: wie heeft er een ja/nee of nee/nee sticker op z’n brievenbus? Wij hebben er ook een – en eigenlijk is het maar een lelijk ding. Maar het scheelt wel een hoop papier! Papier waar ik niemand om gevraagd heb, en wat direct bij het oud papier belandt. Want ik hoef helemaal te weten  wat er deze week in de aanbieding is bij de Karwei, Hema, Hunkemöller en Albert Heijn. En als ik het wel wil weten, zoek ik het zelf wel op. Ik houd er niet van als bedrijven zich opdringen, als zij mij gaan vertellen wat ik deze week moet kopen, omdat ik dat echt nodig zou hebben. Dat bepaal ik zelf wel. Jullie begrijpen: ik vind de ja/ja-sticker een top-idee!

Dingen die je ongevraagd krijgt, zijn vaak irritant. Ongevraagd reclamedrukwerk, maar bijvoorbeeld ook ongevraagd advies. Als iemand je zegt: ‘als ik jou was, zou ik het anders doen’, dan glimlachen we vaak uit beleefdheid even, maar ondertussen denk je: ‘waar bemoei je je eigenlijk mee?’ Dat is het probleem met veel ongevraagde dingen: anderen gaan zeggen wat jij nodig hebt. Alsof zij het beter weten dan jij. En misschien is dat zelfs wel zo, je kunt nu eenmaal niet overal alles van weten, en tóch is het irritant.

In het verhaal dat we zo gaan lezen, geeft Jezus ook iets ongevraagds. Nee, geen reclamefolders, en ook geen advies: Jezus geeft ongevraagd vergeving. Is dat ook zoiets waarvan je denkt: ‘het zal wel, maar eigenlijk zit ik daar helemaal niet op te wachten?’ Daar denken we vanochtend over na vanuit het thema: ongevraagd. We lezen Marcus 2:1-12.

1.   Onze vragen

Jezus geeft ongevraagd vergeving. Maar het is niet zo dat Jezus zich ongevraagd met de mensen bemoeit. Het is eerder andersom:  de mensen blijven maar naar Jezus komen met hun vragen, terwijl Jezus ernaar snakt even op adem te komen. Waarom komen al die mensen? Wat zijn hun en onze vragen?

Jezus’ populariteit is razendsnel gestegen. Nog niet zo lang geleden had niemand van Jezus gehoord, kon Jezus een rustig en anoniem leven leiden. Als je de voorgeschiedenis leest, Marcus 1, heeft dat een hoog ‘en toen, en toen, en toen’-gehalte. De gebeurtenissen buitelen over elkaar heen. Nu Jezus begonnen is Gods goede nieuws te verkondigen, blijven de mensen maar toestromen. Jezus zoekt bewust de eenzaamheid, het is hem niet te doen om een sterrenstatus, maar een beetje rust wordt hem niet gegund. Zodra bekend is dat Jezus ergens is, lijkt heel Galilea uit te lopen naar Jezus.

Jezus is een ongekende publiekstrekker. De reden: hij doet zulke bijzondere dingen. Bij een bezetene drijft hij een onreine geest uit, hij geneest de schoonmoeder van Petrus, en daarna is het hek van de dam: alle zieken en bezetenen worden bij Jezus gebracht, en Jezus geneest en drijft demonen uit. Dát is wat mensen van Jezus willen, dat is wat ze vragen: ‘genees ons alstublieft!’

Dat zouden wij ook zomaar kunnen vragen. Ik bedoel, hoe vaak hoor je het niet: ‘als je maar gezond bent – dat is het belangrijkste.’ Het is één van de dingen die we het allerliefste willen: een goede gezondheid. Maar er zijn er natuurlijk meer, van die dingen waarvan je zegt: ‘als ik dit maar heb, dan is het goed, dan ben ik gelukkig.’ Bijvoorbeeld geen financiële zorgen. Of lieve mensen om je heen. Of bewondering en waardering, beroemd zijn en er toe doen. Of wat platter: een goed seksleven. Of succes, of macht.

Wat zijn jouw diepste wensen? Wat zou je het allerliefste willen? Wat zijn de dingen waarvan jij zegt: ‘als ik dát maar heb – dan ben ik  gelukkig.’ Denk daar even over na!

2.   Ongevraagde vergeving

In Marcus 2 ontmoeten we een verlamde man. Hij heeft geen kracht in zijn benen en kan niet lopen. Daardoor was hij overgeleverd aan de gunsten van anderen. Het is dus niet zo moeilijk om die vraag van net voor deze man te beantwoorden: wat zou hij toch het allerliefste willen? Lopen natuurlijk! Heel zijn leven staat in het teken van dat hij niet kan lopen. Als hij toch eens zou kunnen lopen… Er is  niets waar hij zo sterk naar verlangt als dat. Gewoon, kunnen lopen, net als zijn vrienden. Meer hoeft hij niet – meer vraagt hij niet. Dan zou zijn leven zoveel beter zijn dan nu. Hij zou zelfs gelukkig kunnen zijn.

Deze man heeft geluk met zijn vrienden. Ze staan altijd voor hem klaar. Zodra ze horen dat Jezus in de stad is, bedenken ze zich geen moment: ze tillen hun vriend op zijn draagbed en tillen hem op. Ze rennen en struikelen met bed en al naar het huis waar Jezus gesignaleerd is.

Maar ze zijn niet bepaald de enige: van alle kanten stromen de mensen toe. Er is geen doorkomen aan. Het huis waar het allemaal gebeurt, barst zo ongeveer uit zijn voegen. Er past geen mens meer bij. Iedereen die nu nog een glimp van Jezus wil opvangen, is te laat.

De gezichten van de vrienden betrekken: Jezus is zo dichtbij – gaat hij nu toch aan hun neus voorbij? Maar ze zijn ook vasthoudend: ‘jongens, we laten ons toch niet door wat drukte tegenhouden? Als we er via de gewone ingang niet in kunnen, dan maar de ongebruikelijke ingang? Kom op: we gaan het dak op!’ Zo gezegd zo gedaan: ze nemen de trap naar boven. De verlamde vriend moet zich goed aan zijn bed vasthouden om er niet uit te schuiven – maar het lukt.

Binnen heeft nog niemand door wat er boven hen gebeurt. De mensen hangen aan Jezus lippen, die vertelt dat het koninkrijk van God nabij is. Als Jezus even pauzeert, valt het ineens op: er gebeurt iets boven hen… Even later valt een dikke laag stof naar beneden, en dan komt er licht door een kier in het dak, waarna een hele dakplaat eraf wordt gehaald. Inmiddels kijkt iedereen verwonderd omhoog. Een van de vrienden steekt zijn hoofd over de rand van het gat. De mensen kijken hem met open mond aan. De vriend glimlacht vriendelijk en wenkt de andere vrienden: ‘zo zou het moeten kunnen.’ Aan 4 touwen laten ze hun vriend naar beneden zakken, precies voor de voeten van Jezus.

Dat dit wel een beetje raar is, daar hoor je Jezus niet over. Jezus ziet geloof! Hij ziet dat deze vrienden meer in hem zien dan een wonderdokter. Ook al heeft Jezus nog niet eerder verlamden genezen, ze geloven dat Jezus het kan, want Jesaja zegt – in Jesaja 35: ‘Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten, verlamden zullen springen als herten.’ De vrienden geloven dat deze, en nog veel meer profetieën over Jezus gaan: Jezus is de beloofde van God! Daarom vragen ze hém om genezing.

Maar Jezus lijkt de overduidelijke vraag te negeren. In plaats daarvan geeft hij antwoord op een vraag die niemand stelde: ‘vriend, uw zonden worden u vergeven.’ Jezus geeft ongevraagd vergeving – in plaats van genezing.

Je ziet de vrienden denken: ‘hebben we daarvoor al die toeren uitgehaald?’ Ook de verlamde had hier geen rekening mee gehouden: ‘ja, maar… Ziet u het dan niet? Hallo, kijk dan – ik kan niet lopen! Dát is mijn probleem.’ Maar in Jezus’ ogen staat een andere boodschap: ‘nee, vriend, dat is niet hét probleem. Ja, ik zie dat je niet lopen kunt, en ik snap dat dat een groot probleem is. Maar denk je echt dat je voortaan gelukkig zult zijn als ik je verlamming van je wegneem? Ik denk het niet! O, je zult ongetwijfeld dolblij zijn. En de komende maanden leef je in een vreugderoes. Maar daarna? Je zult ontdekken dat nog niet alles goed is. Dat je wel kunt lopen, maar nog niet gelukkig bent. Nee, je echte probleem zit nog veel dieper. Uiteindelijk is het probleem zonde. Ik wil geen half werk leveren: ik geef je wat je écht nodig hebt – vergeving.’

‘Vriend, uw zonden worden vergeven.’ Dat kun je opvatten als bemoeizucht.  ‘Waarom zou Jezus beter dan ik weten wat ik nodig heb?’ Maar misschien weet Jezus het inderdaad wel beter… Is het wel irritant, maar zou het ongenadig van hem zijn om die man mét genezing maar zonder vergeving naar huis te sturen. Ik las ergens dat als God ons echt wreed zou willen behandelen, hij ons gewoon moet geven waar we om vragen. Jezus kiest ervoor dat niet te doen: hij pakt ons échte probleem aan.

We hebben net nagedacht over wat jouw diepste wensen zijn. Jezus zegt dan: ‘hoe goed en mooi jouw wensen ook zijn, je hebt meer nodig – je hebt vergeving nodig. Ik ben gekomen om jouw zonden te vergeven. Jouw grootste probleem is dat je een zondaar bent – laten we daar beginnen.’

Eerlijk gezegd vind ik dat geen leuke boodschap. En ik ben ongetwijfeld de enige niet. Zonde is zo negatief… Zo erg is het toch ook weer niet om eens een fout te maken? Maar dat is ook niet het punt van zonde! Het punt van zonde is dat je tegen God zegt: ‘u bent mooi, echt!, maar er zijn dingen die ik nog mooier vindt, dingen die ik belangrijker vind dan u, omdat ik denk dat ik daar meer gelukkig van wordt dan van u.’ Zonde draait niet om het overtreden van de regels, maar om het liefhebben van andere dingen boven God: gezondheid, geld, seks, macht, reputatie – enzovoort. Zonde is geestelijk overspel – het maakt de relatie met God kapot. En dan zegt Jezus: ‘dát is jouw grootste probleem. Ik ben gekomen om jouw zonde te vergeven, om jou een nieuw begin met God te geven, waarin het weer goed is tussen hem en jou – dáárvan wordt je pas echt gelukkig.’ Daarmee geeft Jezus dus antwoord op een vraag die wij niet stellen – maar die we wel zouden moeten stellen.

Terug naar het huis in Kafarnaüm. Dat Jezus zonden vergeeft, schiet sommigen in het verkeerde keelgat. Waar haalt Jezus het recht vandaan zonden te vergeven? Elke Jood weet dat alleen God zonden vergeven mag. Dus wie denkt Jezus wel niet dat hij is?! Dit klinkt als blasfemie – godslastering!

Jezus pareert de kritiek met een simpele vraag: ‘Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “uw zonden worden u vergeven” of: “sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Vervolgens geneest hij de verlamde. Jezus laat hiermee zien: ‘ik ben niet iemand die het naar het hoofd gestegen is, niet de zoveelste die denkt de Messias te zijn. Nee, kijk maar: ik hoef het maar te zeggen, en deze man kan lopen. Ik bén de beloofde, waar jullie op wachten – kijk maar!’ En zo wordt de verlamde alsnog genezen, als teken, waarin Jezus zijn gezag laat zien.

Daarmee is  niet gezegd dat zonden vergeven makkelijker is. Als Jezus het zichzelf makkelijk had willen maken, dan was hij daar nooit over begonnen. Dat hij geneest, dat willen de mensen nog wel accepteren. Maar dat hij zonden vergeeft, waarmee Jezus claimt de beloofde Messias te zijn, dat is een steeds terugkerend punt van aanstoot. Uiteindelijk tekent Jezus hiermee zijn eigen doodvonnis. In Marcus 14 antwoord Jezus bevestigend op de vraag of hij de Messias is. Daarop scheurt de hogepriester zijn kleren en zegt: ‘U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Ieder is het roerend eens: Jezus verdient de doodstraf. En zo gebeurt het. Door zonden te vergeven doet Jezus het allermoeilijkste. Dat ongevraagde antwoord van Jezus brengt hem aan het kruis – waar hij de zonden van de wereld wegdraagt.

3.   Wat vraag jij?

Even samenvatten: volgens Jezus is ons diepste probleem dat we zondaar zijn. Er kan van alles zijn waarvan wij denken: ‘als ik dat maar heb, dan is het goed.’ Maar Jezus zegt: ‘nee, het is pas goed als je zonden vergeven zijn. En daarvoor geef ik alles – daarvoor geef ik mijn leven.’ Dat is een goede reden om onze vragen nog eens tegen het licht te houden: wat vraag jij?

Bevraag je vragen, bevraag je diepste wensen. Kunnen ze je echt  geven wat je zoekt? Of blijkt dat toch tegen te vallen? Neem bijvoorbeeld geld: we zeggen wel dat geld niet gelukkig maakt, maar ondertussen willen veel Nederlanders maar wat graag een loterij winnen, alsof  je je dan nooit meer zorgen hoeft te maken. Dat valt dus tegen. Ik las een interview op nu.nl met begeleiders van loterijwinnaars. Zij zijn in dienst van loterijen, dus je zou een enthousiast verhaal verwachten over hoeveel mooier het leven van de winnaars geworden is. Even een paar citaten uit het interview: ‘Ik heb winnaars gesproken die zeiden: “ik heb echt een rottig halfjaar achter de rug.” Niet dat ze het geld terug willen geven, maar omdat ze overdonderd waren.’ ‘De grootste zorg van een van mijn klanten was: hoe zorg ik ervoor dat mijn kinderen hun studie afmaken en dat ze niet  denken dat ze nooit meer hoeven te werken.’ Daarom worden er, jawel, ‘lotgenotendiners’ georganiseerd. ‘Lotgenoten’ – alsof jou iets naars is overkomen.

Dus nee: geld maakt niet gelukkig – net als genezing. Bevraag zo ook die andere wensen die je hebt. Ik geloof dat je er achter zult komen, dat al die dingen je niet écht gelukkig maken. Daarvoor moet je bij Jezus zijn. Durf hem vergeving te vragen. Dat klinkt misschien heel suf en oubollig, maar ik geloof dat werkelijk geluk daar begint: dat het goed zit tussen God en jou.

En als je bij Jezus komt met die vraag, zoals zometeen bij zijn maaltijd, dan reikt Jezus  je de hand, reikt hij je brood en wijn, en zegt: ‘vriend, je zonden zijn je vergeven.’ Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: