Haggai 1 | Prioriteit

Inleiding

‘Nee, ik heb geen tijd.’ Dat is een veelgebruikte smoes… Bijvoorbeeld als mijn lieve kinderen hun speelgoed gebruiken  op manieren die niet in de handleiding te vinden zijn, door er op te gaan staan, of door ermee te gooien, of door er ruzie om te maken en aan te trekken, en dan bij mij komen: ‘papa, kun je dit maken.’ ‘Nu niet jongens, heb nu geen tijd.’

Dat is flauwekul: natuurlijk heb ik tijd!et  Het heeft voor mij alleen geen prioriteit – dat is wat anders. Ik ben verdiept in de krant, en dat heeft hogere prioriteit dan speelgoed repareren. Of ik zit me te vervelen op mijn telefoon, en heb gewoon geen zin om iets nuttigs te doen. Of ik moet werken, en dat heeft nu eenmaal hogere prioriteit dan de speelgoeddokter uit te hangen. Dat geeft direct aan dat er best goede redenen zijn om te zeggen: ‘nu even niet, ik moet met andere dingen bezig.’ Maar wees dan eerlijk: zeg niet ‘ik heb geen tijd’, maar ‘dit heeft even niet de hoogste prioriteit.’ Moet je wel weer uitleggen wat het woord ‘prioriteit’ betekent, maar ik weet zeker dat kinderen daar ook wel weer overheen komen.

In het bijbelboek Haggai gaat het ook over tijd en prioriteit. De Israëlieten zijn vanuit ballingschap teruggekeerd naar hun eigen land, en zeggen dat ze geen tijd hebben om de tempel van God te herbouwen. God denkt daar anders over:  ‘het heeft voor jullie geen prioriteit – en dat moet het wel hebben!’ God wil bij mensen wonen – maar heeft dat onze prioriteit? Daar gaat het vandaag over.  Laten we eerst lezen: Haggai 1.

1.   Desillusie

Haggai was profeet in Israël na de ballingschap. Om precies te zijn: de profetie uit Haggai 1 is uitgesproken op 29 augustus in het jaar 520 voor Christus. Er zijn niet veel profeten die je zó precies kunt plaatsen! In die tijd is Perzië, tegenwoordig Iran, de leider van de wereld. Perzië had 18 jaar eerder het stokje van Babylon overgenomen, en heeft grondige hervormingen doorgevoerd. De belangrijkste hervorming voor ons verhaal is deze: de Israëlieten mogen weer terug naar hun eigen land! Eerder had koning Nebukadnessar van Babylon hen naar Babylon gedeporteerd, maar van koning Cyrus van Perzië mogen ze weer terug!

Een deel van de Israëlieten vindt het wel best: ze hebben nu een bestaan in Babylon opgebouwd, hun kinderen zijn er geboren en weten niet beter, waarom zouden ze dat weer opgeven?! Andere Israëlieten gaan wel terug naar Israël, en bij hen zijn de verwachting hooggespannen: voor hen is het niet alleen een terugkeer naar hun vaderland, maar nog veel meer een terugkeer naar het land van God. De ballingschap was een straf van God, waarmee God zei: ‘verdwijn uit mijn ogen!’ Nu mogen ze terugkomen bij God – logisch dat ze het helemaal zien zitten.

Eenmaal terug blijkt dat optimisme wel een beetje misplaatst. Jeruzalem, de stad van God, ligt in puin, de tempel, waar God woonde, is niet veel meer dan een ruïne. Nu vind ik ruïnes prachtig,  -als ik ergens op vakantie ben en er is een ruïne in de buurt, dan wil ik er heen- maar een ruïne is natuurlijk wel vergane glorie, iets van vroeger, en dat is bij de tempel nu net niet de bedoeling! Dus zetten de teruggekeerde Israëlieten er de schouders onder: ze beginnen aan de herbouw van de tempel.

Maar al snel komt de bouw stil te liggen. Dat heeft verschillende oorzaken, waaronder tegenstand. In de tijd dat de Israëlieten niet in Israël woonden, is het land niet onbewoond gebleven: het wordt nu bewoond door de Samaritanen – de vijandschap tussen Joden en Samaritanen die je in het NT tegenkomt, begint hier. De Samaritanen zien het niet zo zitten dat de Israëlieten Jeruzalem en de tempel herbouwen. Ze intimideren en lobbyen in Perzië, en zo komt de bouw stil te liggen. 15 Jaar later is het tempelterrein nog steeds een bouwput, waar een gescheurd en verweerd spandoek van de aannemer hangt, waar een hijskraan staat weg te roesten en jongeren stiekem zitten te roken.

Het begon zo veelbelovend… Bevrijd uit Babel, een nieuwe toekomst die je toelacht, maar al snel spat die droom uit elkaar en blijf je gedesillusioneerd achter. Dat gevoel kun je als christen ook hebben. Het christelijk geloof zit vol hoop, vol optimisme: Jezus leeft, hij heeft ons bevrijdt, en nu breekt Gods koninkrijk door! Nu gebeurt er in de wereld van alles, maar van dat koninkrijk is nog niet zoveel te zien… Het is al heel wat als een kerk niet krimpt…

Waar is God dan? De Israëlieten merken weinig van hem! Israël zou het land van melk en honing moeten zijn, het land van overvloed, het land van Gods zegen, maar er lijkt wel een vloek op het land te rusten. Het lijkt wel alsof alles wat de Israëlieten aanraken, mislukt. De tempelbouw: ze zijn nog maar nauwelijks begonnen, of ze worden alweer gedwongen de bouw te staken. Maar ook eten: de oogst valt smerig tegen. Daarbij is er continue de dreiging van Samaritanen en anderen die de Israëlieten met argusogen bekijken. De Israëlieten gooien het bijltje er bij neer: blijkbaar is dit niet de tijd om een tempel te bouwen, het is al ingewikkeld genoeg om in dit Israël te leven.

Wat doe je, als je weinig van God merkt, en er allerlei andere dingen zijn die je aandacht vragen, die ook niet vanzelf gaan? Het opbouwen van je eigen leven bijvoorbeeld? Precies: dan schuift God een plaatsje omlaag op je prioriteitenlijstje. En nog een plaatsje, en nog een, tot ergens in de onderste regionen.

2.   Prioriteit voor Gods aanwezigheid

Dat is allemaal best te begrijpen – maar niet de bedoeling! Haggai is duidelijk: ‘houd op met die smoesjes dat je geen tijd hebt, jullie zeggen steeds maar “het is de goede tijd niet”, maar een plek waar God kan wonen heeft gewoon niet jullie prioriteit! Het is de hoogste tijd om God weer prioriteit te geven.’

Want God wil bij mensen wonen – dat is waar de tempel voor staat! Het gaat niet om die stenen van de tempel, het gaat er niet om dat de Israëlieten andere volken aftroeven omdat de tempel voor de God van Israël de allermooiste (en duurste) is, het gaat er ook niet om dat God veeleisend is, en dat als de Israëlieten niet hard genoeg hun best voor hem doen hij hen gaat pesten met mislukte oogsten. Nee: het gaat erom dat zo lang die tempel er niet staat, er nog geen plek voor God is om in het land te wonen! Natuurlijk: God is overal, die sluit je niet op in een gebouw, maar dat gebouw stáát wel voor Gods aanwezigheid, voor dat God bij mensen woont, en voor de kleur die dat aan het leven geeft. De tempel laag op het prioriteitenlijstje zetten is hetzelfde als Gods aanwezigheid laag op dat lijstje zetten.

God wil bij mensen wonen – nog altijd. Niet meer in een tempel, dat is nu verleden tijd. Nee, God woont overal waar mensen Jezus volgen, waar mensen geloven, hopen en liefhebben – in de naam van Jezus. God wil dat wij een plek zijn waar hij woont, van waaruit Gods liefde zich over de wereld verspreid, en veel dichterbij: van waaruit Gods liefde zich in Zaanstad verspreid. Wat bouwen aan de tempel in de tijd van Haggai was, dat is nu bouwen aan Gods koninkrijk. En als we daar niet in investeren, dan moeten we ook niet piepen dat we zo weinig van Gods aanwezigheid merken.

Daarom draait Haggai de boel om: ‘Jullie zeggen maar: “nee, geen tijd. We hebben wel andere dingen aan ons hoofd dan die tempelbouwput.” Vinden jullie het dan gek dat jullie zo weinig van God merken? Jullie worden in beslag genomen daar de zorgen van het leven. Zo is er altijd wel wat en kom je nooit aan die tempel toe! Voor jezelf hebben jullie wel huizen gebouwd, maar voor God nog altijd  niet. Hoe kan hij dan bij jullie wonen?! Begin nu maar, dan zul je zien dat het met de rest wel goed komt.’ Het lijkt op de uitspraak van Jezus in Matteüs 6: ‘zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.’

Dat is een kwestie van prioriteit. We kunnen niet zeggen: ‘God, we houden echt wel van u, maar we hebben nu zoveel aan ons hoofd, u weet wel, corona enzo, en in ons leven gebeurt ook van alles, dus we hebben nu gewoon even geen tijd – dat snapt u toch wel? Uw koninkrijk kan vast wel even zonder ons, en probeer het volgend jaar gerust weer: wie weet hebben we dan wel tijd.’ Dan zegt God: ‘dat smoesje ken ik –  zeg dan gewoon eerlijk dat mijn koninkrijk geen prioriteit heeft.’ En voor alle duidelijkheid:  je kunt op allerlei manieren en plekken aan dat koninkrijk bouwen. Bouwen aan Gods koninkrijk is in ieder geval breder dan alleen de kerk.

De vraag is: probeer je maar het beste van je leven te maken, of bouw je liever aan Gods koninkrijk? De Israëlieten kozen dat eerste, er maar het beste van maken, en merkten dat dat niet lukte: de oogst viel tegen, maar nog belangrijker: het leven was leeg. Ze eten, maar blijven honger houden, drinken, maar blijven dorst houden, krijgen geld, maar hebben een gat in de portemonnee. Je kunt alles op alles zetten voor een geweldig leven, en er toch geen voldoening in vinden. Óf je geeft God de prioriteit – gaat bouwen, aan de tempel, aan Gods koninkrijk, maakt het verspreiden van Gods liefde prioriteit van je leven. Met Jezus zegt Haggai: dan komt de rest vanzelf wel.

God wil bij ons wonen – en hij vraagt ons dat prioriteit te geven. Maar het heeft ook Gods prioriteit! God wíl bij mensen wonen – wat een wonder is dat. God wil niets liever dan bij ons zijn. En als die tempel eens een keertje klaar is, of als wij gaan bouwen aan zijn koninkrijk, dan zegt God niet: ‘hehe, dat werd de hoogste tijd.’ Nee – luister maar naar wat Haggai zegt: ‘met vreugde zal ik het aanvaarden en er mij in al mijn luister tonen – zegt de Heer.’ Wauw!

Voor God heeft het de hoogste prioriteit: bij mensen wonen. Dat wordt niet afgestreept van het lijstje zodra de tempel klaar is. Want dat is een gebouw, waar je naartoe kunt gaan, maar God wil nog veel dichterbij komen: naar jou toe. God wil zo dichtbij ons wonen dat hij zelf mens werd! Deze weken voor kerst leven we er weer naartoe. Maar ook daar houdt het niet op: God werkt aan zijn nieuwe wereld waar hij bij ons woont. En hij zal niet rusten voor het zover is!

3.   Licht in je straat

God wil bij ons wonen –  en daarom wil hij dat bouwen aan zijn koninkrijk prioriteit heeft. Maar hoe dan?

Jezus zegt, in Matteüs 5, ‘jullie zijn het licht in de wereld.’ Dat is het: als je in Jezus gelooft, dan bén je zo’n plek waar God woont, en van waaruit Gods liefde zich verder verspreid. Geef dat prioriteit! Om het even wat dichterbij te halen: wat merken jouw buren ervan dat er een christen in hun straat woont? Maakt het voor jouw straat verschil dat jij in Jezus gelooft? Bouwen aan Gods koninkrijk hoeft helemaal niet ingewikkeld te zijn: ga gewoon houden van de mensen in je straat – maak het verschil! Niet omdat dat je religieuze plicht is, maar omdat je weet dat God bij ons wil wonen, en je daar nog veel meer van wilt zien! Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: