1 Tessalonicenzen 4:13-18 | De grote hereniging

Inleiding

Afscheid nemen is, denk ik, het moeilijkste van het leven. Nee, als je weet dat je elkaar volgende week weer ziet, en elkaar in de tussentijd kunt bellen en appen, dan valt het nog wel mee. Als iemand een jaar wegblijft, en in dat jaar ook nog slecht bereikbaar is, dan wordt afscheid nemen al moeilijker. Maar definitief afscheid nemen…

Vandaag denken we aan de overledenen. Ze zijn weggewandeld uit ons leven. De ene dag sprak je elkaar nog, lachte je samen, huilde je samen, zong je samen, hield je elkaars hand vast en gaf je elkaar een kus – voor de laatste keer. De volgende dag was het afgelopen – definitief. Nooit meer samen herinneringen ophalen, nooit meer die prangende vragen stellen, nooit meer zeggen: ‘ik houd van je.’ Definitief afscheid nemen is, denk ik, het moeilijkste van het leven.

Vandaag luisteren we naar wat Paulus daarover zegt in 1 Tessalonicenzen 4. Paulus heeft bemoedigende woorden: de dood is geen definitief afscheid, want we zijn op weg naar de dag van de grote hereniging! We zullen elkaar weer zien – en Jezus is erbij. In die hoop wil ik jullie vandaag meenemen. We lezen 1 Tessalonicenzen 4:13-18.

1.   Treuren zonder hoop

De christenen in het Griekse Tessalonica vormen samen een piepjonge kerk. En dan bedoel ik echt piepjong: misschien heeft die kerk haar eerste verjaardag nog niet eens gevierd, haar tweede in ieder geval nog niet.  En daarvoor wáren er geen christenen in Tessalonica. Tessalonica is, na Filippi, de 2e stad in Europa waar het goede nieuws van Jezus bekend werd. Je kunt het lezen in Handelingen 17. Dan lees je ook dat Paulus halsoverkop uit Tessalonica moest vertrekken. Hij heeft dus nog niet alles kunnen zeggen wat hij te zeggen had. Daarom stuurt hij deze brief, vrij kort na zijn overhaaste vertrek, en nadat hij van zijn teamgenoot Timoteüs heeft gehoord hoe de vlag er in Tessalonica bij hangt.

Paulus hoort dat in die piepjonge gemeente de eerste mensen alweer overleden zijn. Mensen die nog maar net tot geloof in Jezus waren gekomen, die geloofden dat ze het léven hadden gevonden – maar nu zijn ze dood. En ze laten die jonge kerk in vertwijfeling achter: ‘hoe kan dit? Dit was toch niet de bedoeling?’ Ze hadden van Paulus gehoord over dat Jezus uit de dood was opgestaan, dat Jezus de dood had overwonnen – en nu dit… Ze hadden van Paulus gehoord over dat Jezus naar de hemel was gegaan, maar ook weer zou terugkomen, en ze leefden nu helemaal voor die dag, hadden het gevoel dat het elk moment zover kon zijn – hoe kan dit dan? Hebben de overledenen dan pech gehad? Mogen zij dan niet meer meemaken waar ze in geloofden? Ze zouden toch sámen wachten op Jezus?!

En dan schrijft Paulus: ‘jullie hoeven niet te treuren als zij die geen hoop hebben.’ Maar dat is dus de enige manier van treuren die deze jonge christenen kennen! In hun korte ‘carrière’ als christen hadden ze nog niet eerder meegemaakt dat een broer of zus in het geloof stierf – dus ze hebben geen idee wat ze er mee aan moeten. De enige manier van treuren die ze kennen, is hoe iedereen om hen heen treurde: vanuit de overtuiging dat het met de dood over en uit is. Een bikkelharde waarheid, die je onder ogen moet leren zien.

Wat dat betreft is er in die kleine 2000 jaar die sinds die tijd verstreken is helemaal niet zo veel veranderd. Dood is dood – dat is nog altijd de heersende opvatting. Met de dood is het einde verhaal, het is een definitief afscheid: je zult de overledene nooit meer zien, aanraken, een knuffel geven. Bikkelhard – maar dat is het leven nu eenmaal.  Natuurlijk proberen we die pijn te verzachten. Bijvoorbeeld met muziek. Er is zelfs een heuse begrafenis top 100, met hoge noteringen voor Andrea Bocelli’s Time to say goodbye, en Marco Borsato’s Afscheid nemen bestaat niet. Wat ik dan weer een vrij wonderlijke combinatie vind: is het nu tijd om afscheid te nemen, of bestaat dat niet?!

We troosten elkaar door herinneringen op te halen, door mooie momenten opnieuw te beleven. We troosten elkaar met dat de overledene voor altijd in ons hart zal voortleven. We proberen de pijn te verzachten, en dat is mooi -echt!-  maar je krijgt er de overledene niet mee terug. En laat juist dát nu zijn wat Paulus schrijft: je krijgt de overledenen wél terug!

2.   De grote hereniging

In 1 Tessalonicenzen 4 schrijft Paulus over de grote hereniging.  Hij beschrijft allerlei details, die voor sommigen aanleiding zijn geweest voor allerlei woeste eindtijdtheorieën, maar het gaat er uiteindelijk om dat als Jezus terugkomt, er een grote hereniging zal zijn, een reünie.

Misschien ben je wel eens op een reünie geweest, van een school waar je op hebt gezeten. Dan ontmoet je de ene na de andere oude bekende. Je staat te praten met een vriend met wie je altijd alles deelde, maar die je ergens uit het oog bent verloren. Het voelt direct weer vertrouwd. Jullie zijn nog lang niet uitgepraat, of je ziet alweer iemand anders, die je ook echt even wilt spreken. Je komt ogen en oren tekort en het is een geroezemoes van jewelste. Tot het opeens stil wordt, en iemand roept: hij komt eraan! Je weet direct wie ‘hij’ is, dat kan er maar één zijn: de favoriete docent van hele jaargangen leerlingen. Met z’n allen lopen jullie naar buiten, zien nog net dat hij zijn fiets op slot zet, dezelfde fiets als hij toen ook al had, en vormen een erehaag om hem te onthalen.

Zoiets beschrijft Paulus, een reünie. Want de overledenen zijn niet dood – ‘dood’ is niet het woord dat Paulus gebruikt, Paulus gebruikt een woord dat je normaal gebruikt voor ‘slapen’. De overledenen slapen! Ze slapen heel vast, en heel diep, zo diep dat je ze niet zo even wakker kunt maken, maar ze slapen! En God zal ze wakker maken – op de dag dat Jezus terug komt. Als het zover is, dan gaat Gods wekker. Of eigenlijk is het een bazuin, maar die bazuin heeft de functie van een wekker: ‘wakker worden, wakker worden, tijd om op te staan: Jezus komt eraan!’

‘En dan,’ zegt Paulus, ‘zullen de doden die Christus toebehoren opstaan.’ Zij worden dus niet, waar die jonge gemeente in Tessalonica bang voor is, overgeslagen als Jezus terugkomt: voor Jezus op aarde arriveert, zullen de doden opstaan! Die christenen uit Tessalonica, die zo kort nadat ze Jezus leerden kennen al stierven. ‘Onze’ overledenen, dit jaar Wim Spek, Anne van Prooijen en Piet IJskes. Ze zullen opstaan, we krijgen ze terug, worden herenigd! Net als op die reünie kom je ogen en oren tekort, zou je iedereen wel een hele week willen spreken, maar de tijd ontbreekt ervoor. Dat geeft ook helemaal niets, want daarvoor heb je nog een eeuwigheid de tijd.

Maar nu moet er eerst nog iets anders gebeuren, want de hereniging is nog niet compleet: híj komt eraan! En dat is nu niet je favoriete docent, maar Jezus, die in zekere zin trouwens wel mijn favoriete docent is. Net als je die docent onthaalt, zo onthalen we samen, wij die nóg leven, en zij die wéér leven, Jezus, onze Heer, de Koning van hemel en aarde. ‘In de lucht,’ schrijft Paulus, ‘gaan we hem tegemoet.’ We lopen uit: nu de Koning terugkeert, kunnen we niet blijven kletsen met elkaar, we gaan hém tegemoet om hem te onthalen op aarde. En dan zijn we herenigd, met elkaar én met Jezus.

Dít is de reden dat christenen niet hoeven te treuren als zij die géén hoop hebben. Paulus geeft die jonge christenen nieuwe moed door uiteen te zetten wat er nog gaat gebeuren. Wat hij níet doet, en dat vind ik best opvallend, is zeggen: ‘de overledenen hebben het nu beter, ze zijn bij Jezus.’ Op zich is dat wel waar, ergens anders schrijft Paulus ook dat hij daarnaar verlangt, maar het is niet waar we elkaar volgens Paulus mee moeten troosten. Want ook dat is een vorm van troost waar je de overledenen nog niet mee terug krijgt – en de christelijke toekomstverwachting is nu juist dat dat wel gebeurt!

Daarom kunnen christen bij een sterfbed ook gerust ‘tot ziens’ zeggen. Ik doe dat ook, als ik op bezoek ben bij iemand die niet lang meer heeft, en ik niet weet of dit de laatste keer was dat elkaar zagen. Dan zeg ik: ‘tot ziens! ik weet niet of we elkaar hier nog zien, maar we zullen elkaar weer zien, is het niet hier, dan wel in het nieuwe Jeruzalem.’  Dat betekent ook dat je de overledenen niet hoeft los te laten zoals je dat bij een definitief afscheid doet: je hebt niet alleen een verleden met de overledene, maar ook een toekomst!

Toch, dat weet ik ook, kan dat heel ver weg voelen, zo ver weg dat het niet meer is dan een schrale troost. Het wordt pas echt een troost, als het voor jou niet alleen een theorie is, maar een levende realiteit. Voor die christenen in Tessalonica is dat geen enkel probleem: zij gaan er helemaal vanuit dat zij die dag nog gaan meemaken. Dat er voor die dag nog christenen overlijden is voor hen al onvoorzien.  En dan zou je kunnen denken:  ‘tja, als ze nog maar zo kort christen zijn, misschien hebben ze het dan ook gewoon nog niet helemaal begrepen.’ Maar die vlieger gaat niet op: Paulus heeft precies dezelfde verwachting. Ook Paulus gaat er vanuit dat hij die dag gaat meemaken, niet als iemand die dan tot leven wordt gewekt, maar als iemand die dan nóg leeft. ‘Eerst,’ zegt Paulus, ‘zullen de doden opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, hen volgen.’ ‘Wij, die nog in leven zijn’ – daar gaat Paulus vanuit.

Zo’n 2000 jaar later is het lastiger om dat net zo intens te verwachten. Waarom zou Jezus’ precies tijdens jouw leven terugkomen? Ik denk dat voor veel christenen die verwachting is weggezakt, terwijl juist die verwachting onze hoop is! Nee, ik ga geen voorspelling doen over wanneer Jezus terugkomt, maar ik wil wel graag een voorbeeld nemen aan een wijze vriend van me die altijd zegt: ‘het zou me verbazen als Jezus vandaag niet terugkomt.’ Houd de verwachting levend!

3.   Troost

Even samenvatten: als christen mag je treuren met hoop, want we krijgen elkaar terug! Paulus zegt er achteraan: ‘troost elkaar met deze woorden.’

Troost elkaar: dat blijft dus gewoon nodig! Het is niet zo dat als je maar van de grote hereniging weet, dat je dan niet meer verdrietig bent: ook christenen treuren en rouwen om de overledenen, en dat kan keihard werken zijn! Troost elkaar dan. En dat is best lastig: hoe doe je dat? Wat moet je zeggen, en wat juist niet? Wat heb jij nou toe te voegen, als iemand in rouw is? Nou, eigenlijk is het heel simpel: gewoon er zijn, iemand de gelegenheid geven z’n verhaal te doen. Luister gewoon!

Om te troosten hoef je helemaal niet veel te zeggen, en het is zeker niet het eerste wat je doet. Maar als je als christenen elkaar troost, dan mag je elkaar ook die hoop voorhouden: Jezus kómt, en dan krijgen we de overledenen terug! Niet dat je daarom niet verdrietig zou mogen zijn, maar het is wel verdriet mét hoop. Als we elkaar daar niet mee bemoedigen, dan is het ook niet gek als die verwachting wegzakt. Dus blijf het elkaar voorhouden: de dood is niet definitief – we worden herenigd! Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: