Exodus 20:7 en Jeremia 23 | 10 Geboden (3): vrij van mijn gelijk

Inleiding

Wie van jullie gebruikt er wel eens een vork? Graag je hand in de lucht als je wel eens een vork gebruikt. De vork is een behoorlijk ingeburgerde uitvinding. Maar er is een tijd geweest dat er nog geen vorken bestonden, en je alles met je handen moest eten – of met een houten lepel.

Wij zaten laatst in de auto met onze kinderen, en luisterden naar een podcast van het Klokhuis over onmisbare uitvindingen. Deze aflevering ging over, inderdaad, de vork. Met daarbij een lelijke bijrol voor de kerk. Want -volgens de podcastmakers- de kerk was tegen vorken! Toen de vork steeds populairder begon te worden, vond de kerk het nodig te waarschuwen tegen vorken. Niet omdat je er per ongeluk het oog van je zusje mee kunt uitsteken, of omdat patat eten met je handen gewoon lekkerder is: nee – je hebt van God 10 vingers gekregen om mee te eten, en daarom zijn vorken verboden voorwerpen. Dus… Jullie begrijpen: jullie zijn allemaal grote zondaren!

Ik heb er verder zelf geen onderzoek naar gedaan, het zou ook best kunnen  dat het Klokhuis één uitspraak van één dominee heeft gevonden, en er vervolgens van heeft gemaakt dat de kerk dat vond, maar dan nog: de kerk zegt wel vaker dat iets van God niet mag, en 100 jaar later schamen we ons voor de kortzichtigheid van toen. En helemaal prima als je aan nieuwe dingen moet wennen, of eerst even de kat uit de boom wilt kijken, maar zeg dan niet dat het van God niet mag. Want daarmee span je God voor het karretje van jouw gelijk.

Daarover gaat het in het 3e gebod. Afgelopen weken zijn we bezig geweest met het begin van de 10 geboden, en vandaag ronden we voorlopig even af met het 3e gebod. Het staat in Exodus 20:7: ‘Misbruik de naam van de Heer, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt, laat hij niet vrijuit gaan.’ Deze regel wordt door christenen vaak opgevat als dat je niet mag vloeken. En zeker, daar gaat het óók over – maar toen God deze regel aan Israël gaf, was het hele idee dat je Gods naam als stopwoord zou kunnen gebruiken, nog niet eens uitgevonden. Vandaag neem ik dus een andere invalshoek: misbruik Gods naam niet om jouw gelijk te halen. Wat voor vormen zulk misbruik van Gods naam kan aannemen, daarover gaan we nu lezen: Jeremia 23:16-32.

1.   Machtsmisbruik

Dit is niet het leukste bijbelgedeelte om te lezen. Jeremia gaat behoorlijk tekeer: ‘De Heer zendt een woedende wind, (…) zijn brandende toorn komt niet tot bedaren.’ En: ‘Ik zal ze straffen – spreekt de Heer – ik zal ze straffen.’ Jeremia klinkt als zo’n dominee met opgeheven vingertje van wie niets mag, geen tv kijken, niet dansen, niet met een vork eten, en dat dan met een sausje van hel en verdoemenis kracht bijzet. Maar in werkelijkheid is er toch wat anders aan de hand.

Jeremia heeft betere dingen om zich druk over te maken dan of jij wel of niet met een vork eet… Jeremia heeft te maken met corrupte leiders, die hun macht op allerlei manieren misbruiken en er nog mee wegkomen ook. Het zijn de nadagen van het koninkrijk Juda, broedervolk Israël is al lang in ballingschap verdwenen, en Juda staat op het punt hetzelfde lot te ondergaan. Er is nog een kans die ramp af te wenden, maar dan moet het volk, met hun leiders voorop, zich bekeren.

Daarbij gaat het niet om onnozele bijzaken zoals welk bestek je bij de maaltijd gebruikt. Het gaat om onrecht, om machtsmisbruik. In hoofdstuk 22 staat het zo: ‘Dit zegt de Heer: handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed.’ Blijkbaar zijn dit de dingen die in Israël gebeuren. Over een van de koningen, die elkaar in deze tijd snel opvolgen, moet Jeremia profeteren:  ‘Maar jouw ogen en jouw hart zijn slechts op eigen voordeel gericht, op onschuldig bloed vergieten, op afpersen en uitbuiten.’

Jeremia is geen profeet die moeilijk doet over onbenullige dingen, maar die weigert machtsmisbruik weg te moffelen, die opkomt voor de slachtoffers van onrecht. Jeremia is iemand die niet kan accepteren dat machtige mannen dickpics naar vrouwen sturen om zich op die manier nog machtiger te maken.

(zingen: verzoeknummer)

2.   Vrij van mijn gelijk

Laten we eens naar dat 3e gebod gaan: ‘misbruik de naam van de Heer, uw God, niet.’ Want dat is waar het Jeremia in het gedeelte dat we lazen om gaat. Er zijn in Jeruzalem veel meer profeten, maar die zeggen heel andere dingen dan Jeremia. Ze maken zich niet zo druk om het machtsmisbruik aan de top – ze proberen juist in dat netwerk binnen te komen om er zelf ook een beetje voordeel van te hebben. Jeremia moet volgens hen niet overal zo’n punt van maken: welkom in de grotemensenwereld.

Dat standpunt zetten ze graag kracht bij met Gods naam. Een beetje profeet weet dat je niet sterk overkomt als je zegt:  ‘ik denk dat dit wel ok is.’ Nee, een echte profeet zegt ‘zo spreekt de Heer’ – en dat is het einde van alle discussie. Net zoals dat als Hanneke en ik van mening verschillen, we het direct op Google opzoeken,  daarvoor mag zelfs aan tafel de telefoon worden getrokken, en dan kan Hanneke triomfantelijk zeggen: ‘ik heb gelijk, want Google zegt…’ En dan kan ik maar beter een ander gespreksonderwerp kiezen.

Als je niet Google, maar God aan je kant hebt, dan sta je natuurlijk nóg veel sterker. Maar wat nu als je God niet aan je kant hebt? Dan doe je gewoon alsof! Dat is wat die collega-profeten van Jeremia doen: ze profeteren van alles wat in hun straatje past, zeggen precies wat de machtige kliek graag wil horen, en voegen er aan toe: ‘spreekt de Heer.’ Ze gebruiken de naam van God om hun eigen gelijk te halen. Dát is dus waar dat 3e gebod om draait.

Helaas is dat misbruik van Gods naam niet gestopt na de tijd van Jeremia. Met de bijbel in de hand is verdedigd dat complete dorpen in Afrika werden gedeporteerd naar Amerika, vaak door stoere Hollandse zeebonken, om daar als productiemiddelen te worden ingezet. En God zou het zo hebben gewild. Of iets anders: nog geen 80 jaar geleden, in WOII, droegen Duitse soldaten van de wehrmacht een gesp met daarop de tekst Gott mit uns – God met ons, gezamenlijk met de Duitse rijksadelaar en een hakenkruis. Gods naam wordt misbruikt voor het eigen gelijk.

Soms, zoals bij Jeremia, de slavenhandel en de nazi’s, is het dat in de naam van God dingen worden goedgepraat die God absoluut niet kan goedkeuren. Soms is het ook andersom, denk maar aan die vorken,  en alle andere dingen waar de kerk fel tegen was, maar later toch op terug moest komen: dat in de naam van God dingen worden afgekeurd, die God zelf helemaal niet afkeurt.

Je gelijk halen met Gods naam – het gebeurt nog steeds. Het gebeurt als christenen stoere oordelen hebben over van alles en nog wat, maar als die christenen zelf volledig buiten schot blijven, want zij hebben de wijsheid in pacht en God aan hun zijde. Trek je hun standpunten in twijfel, dan ben je iemand die zich verzet tegen God… Maar het gebeurt ook als je als christen iets graag wilt, en dan zegt dat je ervoor gebeden hebt, dus dat het goed is. Zie daar nog maar eens wat tegen in te brengen…

Dáár gaat dat 3e gebod dus over, en dit is een veel groter probleem dan vloeken. Want door Gods naam zo te gebruiken, geef je ook een vertekend beeld van God. Het is identiteitsfraude: je steelt Gods identiteit, je bezorgt God een slechte reputatie – waardoor anderen niet meer met God te maken willen hebben.

Dat zit al in die onnozele vork uit het Klokhuis: dan wordt een beetje meewarig gesproken over die rare kerk. En God? Die krijgt het imago van een conservatieve oude man die tegen elke vorm van vernieuwing is. Of neem die slavenhandel: waarom zou je als buitgemaakte slaaf geloven in een God die je uitlevert aan de Hollanders om je te verhandelen?! Het is niets minder dan een wonder dat er zoveel niet-Westerse christenen zijn. Wat doet het met Gods imago als we als christenen stoere oordelen strooien op Twitter? Of als we wat overduidelijk niet goed is toch goedpraten ‘omdat God toch graag wil dat ik gelukkig ben’?

De profeten in Jeremia doen dat ook: ze zetten een God neer die niet moeilijk doet over onrecht en misbruik, een God die de kant van de gevestigde orde kiest en een oogje dichtknijpt als die zich misdraagt. Met als gevolg dat steeds minder mensen die God nog willen: met al hun geklets over wat God zogenaamd gezegd heeft, vervreemden ze de mensen van God. Jeremia zegt: ‘hoe lang nog zijn ze eropuit mijn volk mijn naam te laten vergeten?’ In wat jij zegt, in wat jij doet, in hoe jij Gods naam gebruikt, geef je God een reputatie. Welk beeld krijgen mensen door jou van God?

(zingen: verzoeknummer)

Ik hoop dat inmiddels duidelijk is  waarom God dit 3e gebod geeft. Het is niet goed voor God als wij zijn naam misbruiken. Maar het is ook niet goed voor ons! Want stel je eens even voor: een God die altijd met je meepraat, die jou in alles bevestigt, nooit eens tegengas geeft, die precies vindt wat jij toch al vond – is dat een God die je echt wilt? Die God lijkt verdacht veel op jezelf…

Maar die God, de God die mij altijd gelijk geeft, is een God die mij in mijn situatie laat, een God die glimlacht als ik domme keuzes maak, mij een aai over de bol geeft als ik kies voor het kwaad – in plaats van mij van het kwaad te bevrijden. Mijn gelijk is helemaal niet zo aantrekkelijk – want van mijn gelijk, of van dat van jou, wordt de wereld niet mooier. Het 3e gebod is, net als de andere geboden, een bevrijdend gebod: God maakt je vrij van je gelijk!

Daarvoor gaat God ver. Hij geeft zijn naam, hij geeft zichzelf, met alle risico’s die daarbij horen – namelijk dat wij zijn naam misbruiken. Met Jezus gaat God nóg een stap verder: Jezus is de Naam van God in eigen persoon! Daarmee neemt God een enorm risico. En inderdaad: Jezus wórdt misbruikt. De leiders van die tijd weten het nog omgekeerd te presenteren ook: Jezus zou Gods naam gelasterd hebben – en daarvoor krijgt hij de doodstraf. Maar Petrus zegt, in Handelingen 4: ‘Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt.’ Gods naam, de naam van Jezus, is veel mooier dan jouw gelijk: het is jouw redding!

3.   Blijf vragen

Dus: misbruik Gods naam niet voor jouw gelijk – God wil je juist vrij maken van je gelijk, van al te stellige zekerheden waar je Gods naam aan verbindt. Wees heel voorzichtig met denken te weten wat God vindt. Voor je het weet span je God voor het karretje van jouw gelijk. Blijf liever vragen, ervoor openstaan dat jij geen gelijk hebt.

Bevraag daarom altijd jezelf: jouw standpunten, maar ook jouw manier van leven, zelfs als je Gods naam er niet letterlijk bij sleept. Als je christen bent,  is wat jij vind en doet automatisch gekoppeld aan de naam van Christus. Denk niet dat jij wel weet hoe het moet, maar blijf kritisch naar jezelf.

En blijf luisteren naar anderen. Van een afstandje is het heel makkelijk je oordeel te geven, maar luister liever echt naar elkaar, naar wat de ander beweegt. Stel vragen, zonder je oordeel klaar te hebben. Want van jouw gelijk, van mijn gelijk, wordt de wereld niet mooier. Van Gods naam, die bevrijdende naam, wel! Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: