De dood is onvermijdelijk. Uiteindelijk wint de dood altijd. Maar niet bij Jezus, niet voor wie in hem gelooft!
Inleiding
Ik ben geboren in 1987. Dat betekent dat mijn kansen om ooit nog eens een olympische medaille te winnen nu voorgoed verkeken zijn. Dat realiseerde ik me opeens tijdens de afgelopen Olympische Spelen. Voor 2 van mijn leeftijdsgenoten waren dit de laatste Spelen: Ireen Wüst en Sven Kramer houden het schaatsen voor gezien. Ok, zij zijn allebei van 1986, maar bij de volgende Olympische Spelen ben ik toch echt ouder dan zij nu zijn. Ireen Wüst wist er nog één keer een gouden medaille uit te persen, Sven Kramer moest de nieuwe generatie voor laten gaan. En vanaf nu worden ze alleen maar langzamer… Voortaan zijn Ireen Wüst en Sven Kramer geliefde talkshowgasten, die commentaar mogen leveren op jongere sporters die nog wel in de kracht van hun leven staan.
Ik vind dat best confronterend. Zo rond je 35e zet de aftakeling echt in. Als dat al geldt voor topsporters als Ireen Wüst en Sven Kramer, dan geldt dat voor mij al helemaal. Vanaf nu wordt het alleen maar minder: ik ga eruit gefietst worden door mijn eigen kinderen, voor lange afstanden heb ik zelfs een fiets met elektrische ondersteuning, en ik moet op mijn eetpatroon gaan letten om niet uit te dijen – elke avond chips accepteert mijn lichaam niet meer. Tot het uiteindelijk uitloopt op de dood. Dat klinkt wel heel hard, maar uiteindelijk loopt het daar altijd op uit. Puur lichamelijk gezien ligt het hoogtepunt van mijn leven achter me, en takel ik nu langzaam af op weg naar de onvermijdbare dood.
Het lijkt alsof de dood het altijd wint. Maar niet bij Jezus, niet voor wie in hem gelooft! Het leven wint! – dat is vandaag het thema. We lezen Johannes 11:1-44.
1. Op weg naar de dood
Dit verhaal is precies het midden van het bijbelboek Johannes: er zijn 10 hoofdstukken geweest, en er komen er nog 10 aan. Precies daar, in het midden, zien we Jezus op zijn hoogtepunt. Hiervoor had Jezus al verschillende wonderen gedaan, tekenen noemt Johannes ze. Eerder dit jaar hebben we al naar Jezus’ eerste teken gekeken: op een bruiloft verandert Jezus water in wijn. In de hoofdstukken daarna doet Jezus nog meer tekenen, tot het uitloopt op dit 7e en laatste teken: Jezus roept zijn dode vriend Lazarus uit het graf! Dit is Jezus op zijn hoogtepunt.
Maar net als bij topsporters van mijn generatie: na de piek gaat het bergafwaarts, op weg naar de onvermijdelijke dood. Voor Jezus is dit verhaal het begin daarvan. Na dit verhaal doet Jezus geen tekenen meer. Jezus gaat nu echt op weg naar zijn dood. Tomas is degene die dat hardop uitspreekt: ‘laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’ Je kunt Tomas een pessimist noemen die wat meer vertrouwen in Jezus zou mogen hebben. Maar Tomas heeft gelijk: deze reis naar Betanië, onder de rook van Jeruzalem, is het begin van Jezus’ weg naar de dood. Na dit verhaal beramen de Joodse leiders concrete plannen om Jezus voor altijd uit de weg te ruimen. Zo lijkt ook het leven van Jezus op de dood uit te lopen.
Ik vind het echt heel mooi dat die reis van Jezus naar de dood, zijn weg naar het kruis, begint met dit verhaal over dat het leven wint!
2. Het leven wint
Daar lijkt het eerst helemaal niet op. Dit lijkt het zoveelste verhaal te worden van dat de dood het vroeg of laat zal winnen. ‘Jezus, Jezus!’ Iemand komt op Jezus afgerend. Nog hijgend van de inspanning doet hij zijn verhaal: ‘Ik ben gestuurd door Marta en Maria. Het gaat om Lazarus, hun broer: hij is ernstig ziek. U moet iets doen, Jezus, anders wordt het zijn dood!’ Maar het is al te laat. Als Jezus en zijn leerlingen een paar dagen later in Betanië arriveren, is Lazarus al 4 dagen overleden. Zelfs als Jezus niet eerst nog 2 dagen had zitten treuzelen was hij ruimschoots te laat geweest om nog iets voor Lazarus te kunnen betekenen. De dood heeft weer eens gewonnen.
Marta en Maria hebben er duidelijk moeite mee dat te accepteren. ‘Was Jezus er maar geweest,’ verzuchten ze tegen elkaar. Als Jezus er dan eindelijk is, is het eerste wat ze zeggen, apart van elkaar: ‘als u hier geweest was, Heer…’ Als… als… Alsof je de geschiedenis terug kunt draaien, terug het leven in, en dat je dan door een andere afslag te nemen de dood zou kunnen voorkomen. ‘Als ik een kwartier eerder was vertrokken…’ ‘Als ik anders had gereageerd…’ In je hoofd speel je de scenario’s af waarin de dood niet had gewonnen. Maar je kunt de tijd niet terugspoelen, kunt de dood niet terugdraaien.
De enige die niet terneergeslagen reageert omdat de dood weer eens heeft gewonnen – dat is Jezus. Al zijn uitspraken wijzen een ándere kant op. Jezus weet dat het moment gekomen is om zijn grootste teken te doen. De dood heeft gewonnen – daar is iedereen van overtuigd. Maar als je goed naar Jezus luistert, is dat opeens heel wat minder zeker!
Hoogtepunt van die uitspraken is deze: “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft, zal nooit sterven.” Jezus is in gesprek met Marta. ‘Als u hier geweest was, Heer…’ Het is geen echt verwijt aan Jezus. Maar Marta gelooft dat Jezus de dood van Lazarus had kunnen voorkomen. Alleen: nu is het te laat. Jezus reageert: ‘je broer zal uit de dood opstaan.’ Marta perst er een glimlachje uit. De profeet Daniël heeft inderdaad over een opstanding gesproken, en Marta probeert zich daar maar aan vast te houden, maar het is zo ver weg, zo vaag. Meer dan een vaag glimlachje krijgt ze niet op haar gezicht. ‘Nee Marta, dat bedoel ik niet – kijk naar me!’ Marta kijkt op, recht in Jezus’ ogen, en voelt opeens hoop stromen. ‘Marta, ík ben het – ík ben de opstanding en het leven.’
Met dat ene zinnetje zet Jezus alles wat we dachten te weten over het leven en over de dood op zijn kop. Als Jezus echt de opstanding en het leven is, dan is het niet waar dat ik, geboren in 1987, zo langzamerhand over het hoogtepunt heen ben, om vanaf nu alleen nog maar af te takelen op weg naar de dood. Dan hoef ik niet te leven alsof ik maar één keer leef, alsof ik nu nog jong ben, nog heel even, en ik daarom nu alle kansen om te leven moet aangrijpen. Want dat is ongeveer onze definitie van leven: je hebt geleefd als je dingen hebt ondernomen, als je hebt genoten. Een tegenvaller, zoals 2 coronajaren, grijpt dan extra diep in: je mist kansen om te leven. Maar Jezus geeft hier een heel andere definitie van leven: ík ben het leven.
Het is een uitspraak die niet te vatten is. Maar er zit iets in van dat leven in verbinding met Jezus pas écht leven is. Als jij in Jezus gelooft, als jij met hem verbonden bent, dan ben je al opgestaan in een nieuw leven, dan leef je niet meer onder de macht van de dood – want de dood verliest van dit leven! Het gaat Jezus er niet om dat we ooit verder zullen leven, maar om dat het volle leven met hem begint en door niets of niemand gestopt kan worden.
Dat klinkt mooi, maar intussen is Lazarus wel dood. Het raakt Jezus: aangekomen bij het graf begint Jezus te huilen. Nog niet eerder was Jezus zo geraakt door de dood. ‘Het ergerde hem,’ staat er. Wát hem dan precies ergerde, dat is niet zo duidelijk. Zijn het de rouwende mensen? Of is het toch de confrontatie met de macht van de dood? Jezus voelt hier het duister van de dood, voelt dat de vijand er is, die de dood in eigen persoon is, zoals Jezus het leven in eigen persoon is.
De mensen om Jezus heen zijn verdrietig: zij kunnen niet anders dan accepteren dat Lazarus dood is, en dat rouwen is hard werken. Maar als je je ergens aan ergert, kun je er ook iets aan doen! Een ergernis is aanleiding om in actie te komen. Als ik mij erger aan een berg afwas op het aanrecht, dan slaat het nergens op te accepteren dat die berg er nu eenmaal is, en daar vervolgens de rest van de dag somber door te zijn. Nee: dan moet ik er gewoon wat aan gaan doen – de kinderen aan de afwas zetten! Eh, dat zei ik niet hardop – natuurlijk doe ik het zelf.
Jezus ergert zich – en komt dus in actie. Jezus stapt op de beheerder van de begraafplaats af: ‘kom met je graafmachientje naar het graf en maak het weer open.’ Iedereen protesteert – je moet de doden met rust laten, bovendien zal het verschrikkelijk stinken – maar Jezus dringt aan en krijgt zijn zin: het graf wordt geopend. Jezus spreekt een kort gebed uit, en dan komt de grote confrontatie, tussen het leven en de dood. Is het inderdaad onvermijdelijk dat de dood wint, of is het leven sterker? ‘Lazarus, kom naar buiten!’ Er wandelt een mummie uit het graf – recht de armen van zijn zussen in. Het leven wint! ‘Waar u verschijnt, wordt alles nieuw / alles buigt voor koning Jezus.’ Uit deze confrontatie komt Jezus tevoorschijn als de overwinnaar: niet langer wint de dood het uiteindelijk toch wel – het léven wint!
De weg naar Jezus’ eigen dood is ingezet. Komende weken leven we er weer naar toe. Maar op weg naar Jeruzalem, op weg naar Jezus’ eigen dood, moet de dood nu al voor Jezus aan de kant gaan. Dat geeft hoop – voor Jezus, voor jou, voor mij. Of je nu geboren bent in 1987, zoals ik, in 2021, 2004, 1960, 1943 of 1922 – het leven wint!
3. Geloof
Of klinkt het te mooi om waar te zijn? Is het echt zo dat Jezus het leven is? In feite geeft Jezus zelf daar al antwoord op, in zijn gesprek met Marta: ‘geloof je dat?’ Ik geloof het! Jezus is waar mijn ziel naar zoekt, waar ik naar hunker, waar ik thuis ben, waar ik vrij ben, waar ik leef! Zonder hem ben ik eenzaam en leeg, zit ik mijn tijd op aarde maar uit, zonder kleur, zonder hoop. Het is de ervaring van vele christenen: met Jezus leef je pas echt! En tegelijk blijft het moeilijk te geloven. Laten we daarom bidden, bidden om geloof!
Heer Jezus, U bent de opstanding en het leven. U bent overwinnaar – de dood is verslagen. Geef ons geloof, geloof in u. Geloof dat echt leven niet is dat je zoveel mogelijk ondernomen hebt, geloof dat het leven niet één reis is naar de onvermijdelijke dood, maar dat echt leven leven met u is, en dat geen dood dat leven kan afpakken. Laat ons opstaan, uit de dood, in het leven – laat ons leven, dicht bij u. Amen.
