Preek bij het afscheid van het Pascal College als locatie voor de kerkdiensten van Menorah Zaanstad. Hoe durven we als kerk verder te reizen?
Inleiding
We nemen vandaag afscheid van dit gebouw. Dus kijk nog maar even goed om je heen! Ik heb wat speurwerk verricht, en kwam een nieuwsberichtje tegen uit (jawel!) het Reformatorisch Dagblad van maandag 3 oktober 2005: ‘CGK Menorah-Zaanstad heeft gisteren voor het eerst gekerkt in het Pascal College in Zaandam. Vorig jaar besloot de sterk vergrijsde gemeente als zendingsgemeente verder te gaan. Ze wil zich voortaan richten op ‘de Zaankanters in de brede zin van het woord, gelovig of niet gelovig, CGK of wat dan ook: iedereen is welkom.’ De eerste dienst in dit gebouw was dus op zondag 2 oktober 2005. Dan ben ik wel benieuwd: wie van jullie waren er toen ook bij?
Inmiddels maken we bijna 18 jaar gebruik van dit gebouw. Er is hier van alles gebeurd, en het lijkt me mooi om met elkaar even wat herinneringen op te halen. Als je in die afgelopen 18 jaar bij Menorah betrokken bent geweest, wat is dan de mooiste herinnering die je aan dit gebouw hebt? Deel die herinneringen even in kleine groepjes. En als je niet zulke herinneringen hebt, vraag dan naar de herinnering van anderen.
Ik kan zelf niet zo goed mijn mooiste herinnering kiezen, maar wat ik altijd erg mooi vond, dat waren diensten met uitgebreide koffie of een maaltijd. In dat soort diensten ervaar ik het sterkst dat we als kerk een familie zijn. Dus ik vind het heel mooi om bij het afscheid van dit gebouw ook zo’n maaltijd te hebben!
Vlak voor de Kerst hoorden we dat we deze zomer uit het Pascal College moeten. Op 1 januari van dit jaar heb ik daarom over Psalm 121 gepreekt: wat de toekomst brengt weten we niet, maar toch gaan we vol vertrouwen verder! Vandaag wil ik met jullie stilstaan bij een Psalm uit dezelfde serie: Psalm 126.
1. Altijd op reis
Psalm 126 is, net als Psalm 121, een ‘pelgrimspsalm’. Het zijn Psalmen voor reizigers: ze werden gezongen op reis naar Jeruzalem. Op de Joodse feestdagen trokken Israëlieten uit heel Israël naar Jeruzalem, en afhankelijk van waar in Israël je woonde, kon je zo een paar dagen op weg zijn. Om de moed er onderweg in te houden, zong je niet ‘ik heb een potje met vet’, of ‘zo gaat ie goed, zo gaat ie beter, alweer een kilometer van m’n schoenen afgesleten’, maar je zong de pelgrimspsalmen: Psalmen voor wie op reis is naar de stad van God.
Ik weet niet of je wel eens naar Jeruzalem bent geweest -ik niet- maar zelfs áls je er geweest bent, heb ik zo het vermoeden dat je in het vliegtuig niet de pelgrimspsalmen hebt gezongen. Trouwens best een goed idee, al zeg ik zelf! Maar voor christenen gaan deze Psalmen niet meer allereerst over de reis naar Jeruzalem: ze hebben een nieuwe betekenis gekregen. Want christenen zijn zelf ook pelgrims: altijd op reis, op weg naar Gods nieuwe wereld. Dat we vandaag dit gebouw verlaten laat ons het weer even ervaren: we zijn een kerk op reis. Laten we daarom eens kijken naar wat Psalm 126 voor die reis te zeggen heeft.
2. Kerk op reis
Psalm 126 begint met mooie herinneringen! ‘Het was of wij droomden.’ Misschien ken je dat gevoel wel: dat je zoiets moois overkomt, dat het voelt alsof je in een droom rondloopt. Ik had dat bijvoorbeeld toen ik bezig was verkering te krijgen met Hanneke. En nog steeds verwonder ik me met enige regelmaat over wat Hanneke toch in mij ziet. Nou, dat gevoel dus: ‘wauw, dat dit voor míj is!’
Psalm 126 is hoogstwaarschijnlijk geschreven na de Babylonische ballingschap, wat het dieptepunt is van het Oude Testament: Jeruzalem was veroverd en met de grond gelijk gemaakt en de Joden werden afgevoerd naar Babylon. Het leek alsof daar nooit meer een einde aan zou komen, maar na 70 jaar mochten ze terug. En daar begint Psalm 126 mee: ‘toen de Heer het lot van Sion (een andere naam voor Jeruzalem) keerde, was het of wij droomden.’ Als de Joden terugdenken aan die tijd, verschijnt er een brede glimlach op hun gezicht: wat heeft God geweldige dingen gedaan!
God doet geweldige dingen. Ook als Menorah hebben we dat gezien. We hebben een mooie geschiedenis om op terug te kijken. Toen ik in 2018 hier kwam en een kennismakingsronde deed, heb ik het verhaal van de doorstart van Menorah -hoe we in 2005 in dit gebouw terecht zijn gekomen, en hoe God dat heeft gezegend- heb ik dat verhaal wel 100 keer gehoord, en steeds werd het met glunderende ogen verteld. Het verhaal van een kerk waar geen leven meer in zat, maar die in geloof een stap zette, en tot bloei kwam: het werd een familie waar iedereen welkom was, en waar je, gelovig of niet, iets van Gods liefde kon ervaren. Natuurlijk met de nodige struggles, maar toch: God heeft iets moois gedaan!
Maar dan slaat de sfeer in Psalm 126 om: ‘keer ook nu ons lot, Heer.’ Blijkbaar is die heerlijke droom alweer ruw verstoord. In de bijbelboeken die gaan over die tijd na de ballingschap, vooral in Ezra, Nehemia en Haggaï, lees je dat ook terug. Eerst is er uitzinnige blijdschap omdat ze eindelijk terug zijn in Jeruzalem. Vol energie beginnen ze te bouwen aan de stad en de tempel, maar de werkzaamheden komen stil te liggen. In de 70 jaar afwezigheid van de Joden hebben de Samaritanen zich in het land gevestigd, die er niets van moeten weten dat Jeruzalem in oude glorie hersteld wordt, en zij schuiven het op dat de bouwvergunning niet in orde is. Nou ja, als Nederlander weet je als geen ander dat je dan verzeild raakt in jaren bureaucratisch getouwtrek. Het gevolg: het tempelterrein wordt een verlaten bouwput waar een gescheurd en verweerd spandoek van de aannemer hangt als stille getuige van de mislukte plannen.
Het begon zo mooi… Ik wil het afscheid van dit gebouw niet onnodig zwaar maken, maar dit stukje van Psalm 126 herken ik toch ook wel. Op deze plek werd een droom werkelijkheid, en nu moeten we weg. We nemen afscheid van dit gebouw, maar bij dat afscheid is ook nog veel onduidelijk: hoe moet de reis van Menorah verder? Trouwens, niet alleen voor Menorah is het een pittige tijd, dat geldt voor heel veel kerken in Nederland: overal hebben kerken het zwaar en neemt geloof af. Als christen voel ik me wel eens een achterblijver, alsof geloof een aflopende zaak is en het met de kerk alleen maar minder wordt. Is er over 20 jaar überhaupt nog een kerk in Zaanstad?
Wat ik mooi vind, is dat we in Psalm 126 ruimte krijgen voor dit soort vragen: er is ruimte voor tranen, ruimte voor teleurstelling. We hoeven in Psalm 126 niet te doen alsof geloven en kerkzijn altijd een succesverhaal is. Van Psalm 126 hoef je elkaar geen moed in te praten met nep optimisme. Woestijnperiodes horen er gewoon bij. Die eerlijkheid spreekt me aan. Het past trouwens ook helemaal bij de weg van Jezus: Jezus zegt niet dat wie hem wil volgen van het ene in het andere succes rolt, maar dat je je kruis moet dragen – net als Jezus deed.
Maar niet omdat je maar beter het lot kunt omarmen omdat er toch geen ontkomen aan is. Psalm 126 is geen fatalistische Psalm – het is juist een Psalm met een enorme veerkracht! Ja, geloven is niet altijd makkelijk, er zijn woestijnperiodes, maar geloven is absoluut geen vergane glorie! Want God zál het weer doen. Ze zeggen dat resultaten uit het verleden geen garantie voor de toekomst zijn, en als je je op de aandelenmarkt begeeft is dat een wijze raad, maar God is niet zo wispelturig als de aandelenmarkt: als hij ergens aan begint, dan maakt hij het af! Zo staat het ook in Filippenzen 1: ‘Ik ben ervan overtuigd dat hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus.’ De reis van Gods kerk loopt niet dood!
Psalm 126 daagt je uit om, als je prachtige herinneringen aan vroeger hebt, maar daar nu weinig van ziet, toch dapper verder te gaan op reis. Om te blijven dromen: te blijven verlangen naar meer van Jezus, naar Gods koninkrijk op aarde, in plaats van er maar het beste van te maken omdat dit het nu eenmaal is. En om te blijven zaaien: dat is onze taak. Bij zaaien hoort dat het moeilijk is, en dat je niet direct resultaat ziet. Maar God belooft: alles wat jij nu zaait, draagt bij aan de oogst. Hoe wij liefhebben, hoe wij ons inzetten voor het evangelie, hoe wij zaadjes van Gods koninkrijk planten, ook in hoe we kerk zijn, het draagt bij aan de oogst in Gods toekomst! Dat betekent niet dat Menorah over 10 jaar perse nog in deze vorm bestaat – maar wel dat wat we doen zin heeft, en dat de reis van de kerk uitloopt op Gods toekomst.
3. Ga je mee?
Vandaag verlaten we het Pascal college. We zijn een kerk op reis. We doeken Menorah niet op: we gaan verder! Ga je mee? In Menorah, of op een andere plek, maar ga je mee op die reis van de kerk naar een prachtige toekomst? En blijf je onderweg dromen van grote dingen en zaadjes van Gods koninkrijk zaaien, ook als je niet direct resultaat ziet? ‘Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven.’ Amen.
