1 Koningen 8 | Een plaats voor God

Inleiding

Ik heb hier een Nederlands muntje van 2 euro. Nu weet ik dat iedereen tegenwoordig met z’n pinpas of bankieren-app betaalt, maar misschien is er toch nog iemand die weet wat er op de rand van deze munt staat – wie? God zij met ons. Deze adventstijd is dat het thema waar ik met jullie bij wil stilstaan: God met ons. Nu ben ik benieuwd: aan welke bijbelgedeelten denk jij  bij die gedachte dat God met ons is, dat God aanwezig is in ons leven? Laten we samen eens wat op een rijtje zetten! (evt. zelf toevoegen: Openbaring 21)

We hebben nog lang niet alle bijbelteksten gehad over dat God met ons is: dat zijn er namelijk heel erg veel. Dit thema is echt een rode draad door heel de bijbel heen: God wil contact, God wil relatie, God wil aanwezig zijn in jouw leven. En ik geloof dat dat het mooiste is wat er is: in Gods aanwezigheid ben je gekend, ben je geliefd, ben je nooit alleen. Ik geloof dat we bedoeld zijn om in Gods aanwezigheid te zijn, en dat we alleen daar echt tot rust komen.

Dat gelóóf ik. Maar ik erváár niet altijd dat God met ons is. Soms lijkt hij ver weg en afwezig. Je kent vast wel van die dagen, of weken, of maanden, dat je helemaal niet zo met God bezig bent. We gaan zo lezen over de tempel, een plaats voor God. Dat is het thema vanmorgen: een plaats voor God. Want een plaats kan je hélpen met het zoeken naar Gods aanwezigheid. Vandaag hoor je wat je daarin wél en juist niet van de tempel kunt leren. Laten we lezen: 1 Koningen 8:1-11 en 27-30.

1.   Van tent naar tempel

We lazen over de ingebruikname van de tempel. Uiteraard heeft dat een voorgeschiedenis. Daarvoor moeten we best een eindje terug in de tijd: van de tijd van koning Salomo naar de tijd van Mozes – hij werd al genoemd. In de tijd van Mozes, als de Israëlieten op weg zijn naar het beloofde land, is er namelijk voor het eerst zo’n plaats voor God:  de ark van het verbond en de tabernakel. De ark was een heilige kist die Gods aanwezigheid symboliseerde en de tabernakel was de heilige tent, een soort verplaatsbare tempel. Dat is direct het mooie van die ark en tabernakel: ze waren mobiel. Trokken de Israëlieten verder,  dan klapten ze de tabernakel in en droegen de ark op draagstokken mee. Zo werd tastbaar gemaakt dat waar ze ook gingen, God met hen mee ging.

Inmiddels is Israël gesetteld geraakt. Na de woestijnreis hebben ze het land Kanaän in bezit genomen, daarna is het lange tijd onrustig geweest -lees het boek Rechters maar- maar met koning David is er eindelijk stabiliteit gekomen. De enige in Israël die niet in een fatsoenlijk huis woont, maar in een klapperende tent – dat is God. David wil daar verandering in brengen: hij kan het niet aanzien dat hij in een schitterend paleis woont, maar God nog steeds in die oude tent. David treft voorbereidingen om voor God een echt huis te bouwen, maar het is zijn zoon Salomo die uiteindelijk de tempel bouwt. In de hoofdstukken voor 1 Koningen 8 wordt dan beschreven hoe kosten noch moeiten worden gespaard om God een echt huis te geven.

2.   Een plaats voor God

In 1 Koningen 8 is het dan eindelijk zover: God verhuist van zijn tent naar de tempel. Het is een enorme happening. Alle Israëlieten zijn voor de gelegenheid afgereisd naar Jeruzalem, en staan nu op het splinternieuwe plein voor de tempel.  Ouders hebben hun kinderen op de rug, en wijzen: ‘kijk, heb je dat goud daar al gezien!’ Wat zijn ze trots op hun tempel! Dan begint de plechtigheid. De priesters dragen de ark naar het plein. Er worden offers gebracht. Dan pakken de priesters de ark weer op bij zijn draagstokken, en dragen de ark naar binnen, de tempel in, naar de allerheiligste kamer. Op dat moment zakt een grote wolk over de tempel, en komen de priesters snel naar buiten: God zélf is hier.  De God die hemel en aarde gemaakt heeft, heeft zijn intrek genomen in deze tempel.

In het vervolg bidt Salomo: ‘Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten!’ Maar toch is dat precies wat er gebeurt: God wil op aarde wonen, onder de mensen, midden in het gewone leven! Hij wil geen God op afstand zijn, maar een God dichtbij. In de tempel is God tussen de mensen, nog veel meer dan Salomo dat vanuit zijn paleis is. Voor belangrijke mensen is hun huis vaak een plek  waar ze zich even terug kunnen trekken op zichzelf. Er staan grote hekken om je perceel  om thuis af te schermen van de buitenwereld, en een alarm doet de rest. Maar bij God niet: in de tempel houdt God altijd open huis, 24 uur per dag, 7 dagen in de week.

God wil het nog steeds: bij ons zijn! We vieren het met Kerst: Jezus is Gods nieuwe manier om onder de mensen te zijn. En dat is zó mooi! Hoezo wil de God die werkelijk boven alles staat, onder mensen zijn?!

Toch kan God ver weg voelen. Een plaats voor God kan dan helpen. Natuurlijk, God is overal:  in een kerkgebouw is hij niet meer bij je dan wanneer je op de fiets zit. En op een gewone werkdag is hij niet minder bij je dan op het Kerstfeest. Maar bijzondere plaatsen en tijden en rituelen kunnen je wel helpen om af te stemmen op Gods aanwezigheid. Je kunt het vergelijken met radiogolven: die zijn ook overal – als je tenminste niet te ver van een zendmast woont. Die golven vliegen hier ook door de lucht, maar we merken er helemaal niets van: dat doen we pas als we een radio aan zetten en afstemmen op de golven. Zo kunnen bepaalde vormen en gewoonten  ook helpen om af te stemmen op Gods aanwezigheid.

De tempel was zo’n manier.  Uiteraard was het een plaats, een locatie die je in Google Maps kunt invoeren. Het was een gebouw dat je vanuit de verte al kon zien, en hoe dichterbij je kwam, hoe meer je voelde dat daar iets bijzonders was. Als een Israëliet dicht bij God wilde zijn, ging hij naar de tempel. Op die heilige plek voelde je iets van Gods aanwezigheid. Maar de tempel was niet alleen een gebouw: de tempel  staat ook voor allerlei tijden en rituelen. Elke dag in de tempel heeft een vast ritme van offers en gebeden. Elke week heeft een ritme, met de sabbat als hoogtepunt. Elk jaar heeft een ritme met verschillende feesten, en 1 keer per jaar, op Grote Verzoendag, mocht 1 priester die allerheiligste kamer van de tempel in. Daarvoor moesten dan wel rituelen worden uitgevoerd: er werden offers gebracht, er waren reinheidsvoorschriften. Het is een heel systeem, dat zeker, maar wel een systeem met allerlei elementen waardoor je je bewust werd van Gods heilige aanwezigheid. Voelde God ver weg, dan kon je naar de tempel toe, om daar Gods aanwezigheid te zoeken in heel concrete, tastbare dingen. Dat is het mooie van een plaats voor God: met al je zintuigen merk je er iets van Gods aanwezigheid.

Maar het is ook een risico. Het risico is dat Israël God opsluit in de tempel. Het risico is dat wij God opsluiten in plaatsen, tijden en rituelen. Waarmee we God net zo hard weer wegduwen uit ons gewone leven. Alsof God alleen maar in de tempel woont, en je daarbuiten niet zoveel met hem te maken hebt.

Voor Salomo is dat nooit de bedoeling van de tempel geweest. Hij zegt het heel duidelijk: ‘de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd.’ Maar ondanks de goede bedoelingen werd de tempel een plek om God in op te sluiten. In plaats van dat de tempel een plaats was die hielp om Gods aanwezigheid midden in het leven te zoeken, werd de tempel een manier om God op afstand te houden. Maar God wil nog steeds midden in ons gewone leven zijn – en Jezus is Gods nieuwe manier daarvoor. In Jezus wil God nóg dichterbij zijn, niet meer opgesloten in plaatsen, tijden en rituelen, maar als mens onder de mensen. Kerst is Gods antwoord op het mislukte tempelproject.

Toch maakt dat de tempel niet een project om zo snel mogelijk te vergeten. Nee, God woont niet in een specifiek gebouw. Wat dat betreft is het geen enkel probleem dat wij een kerk zonder gebouw zijn. God woont niet in een kerk als gebouw, God woont onder zijn mensen, in een kerk als familie. Maar de ruïnes van de tempel zijn wel een herinnering aan dat God midden in ons leven wil zijn, en dat plaatsen, tijden en rituelen kunnen helpen om daarop af te stemmen. Mét daarbij de kanttekening dat God er niet in te vatten is. God woont overal, maar om te groeien in dat besef, heb ik het ook gewoon nodig om daar op af te stemmen.

Dat kan in plaatsen. In bijvoorbeeld een oud kerkgebouw,  waar je wordt overweldigd door iets dat groter is dan jij. Of door een gebedshoekje in je huis. Of misschien ben je dichter bij God in de natuur. Plaatsen kunnen je helpen af te stemmen op Gods aanwezigheid. Dat geldt ook voor tijden: vaste momenten in je omgang met God helpen je om hem niet te vergeten. En christelijke feestdagen zijn echt momenten  om extra te genieten van dat God er is. Rituelen kunnen ook helpen. Knielen kan bijvoorbeeld zo’n manier zijn om dicht bij God te zijn, of het aansteken van een kaars.

Ik ben zelf niet zo goed in dat soort dingen – in tijden nog het beste. Al merk ik wel dat als ik een dag met de bijbel begin, dat ik dat niet achter mijn bureau moet doen, maar in een ander hoekje van mijn studeerkamer. Misschien is dat wel een beetje een heilig hoekje voor mij, al is het ook gewoon mijn ontvangsthoek. Ik neem me voor daar een kaars neer te zetten, en die aan te steken als ik speciaal tijd voor God neem. Als mijn plaats voor God.

3.   Jouw plaatsen

Wat zijn jouw plaatsen voor God? We nemen even tijd om dat in kleine groepjes te bespreken: wat zijn plaatsen of tijden of rituelen die jou helpen dicht bij God te zijn? En hoe zou je meer kunnen afstemmen op Gods aanwezigheid? Wat zijn jouw plaatsen voor God?

God geeft zelf ook van die plaatsen waar we zijn aanwezigheid mogen ervaren. De maaltijd van Jezus is zo’n plaats. Jezus is aanwezig in het brood en in de wijn. Het is echt een plek om af te stemmen op God, om te beseffen dat Jezus onder ons aanwezig is. Want hij is Immanuël: God met ons. Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: