De kruisiging van Jezus vanuit het gezichtspunt van de misdadiger naast hem: waar mijn droom in scherven ligt, vind ik werkelijke vrijheid.
Ik ben een man van dromen. Ik heb geleefd voor mijn droom. Maar nu wordt die droom mijn dood. Ze maken van mij nog wel eens een oppervlakkig feestbeest die in zijn leven de bloemetjes flink buiten heeft gezet, leefde zonder God of gebod, die pakte wat hij maar pakken kon, of het nu ging om geld of om vrouwen, en die op het laatste moment van zijn leven nog snel even genade vroeg: ‘sorry!’ – nét op tijd.
Maar zo ben ik helemaal niet. Ik heb mijn leven gewijd aan mijn droom. Want mijn land wordt bezet. Wij zijn het volk van God, maar moeten dansen naar de Romeinse pijpen. Ik werd gedreven door een heilige woede: dit kan niet!
Dat zat er al jong in. Op straat speelde ik met mijn vriendjes spelletjes, met van takken geïmproviseerde zwaarden, waarin de Romeinen de slechteriken waren. Zagen we zo’n Romein op straat lopen, dan begonnen we direct te schelden met de grofste woorden die we kenden, zo hard dat hij het net niet kon horen. En we bedachten hoe we een val voor de Romeinen konden zetten. We droomden van vrijheid, van het paradijs, waar niet de Romeinen, maar God onze koning was.
Die droom bleef met mij meegaan. Ik kon niet leven in een bezet land. Ik kwam terecht in een groep gelijkgestemden en we radicaliseerden: we pakten de wapens op en dachten dat we met een guerrillaoorlog de Romeinen wel weg zouden krijgen. Sommigen zouden ons terroristen noemen, zelf geef ik de voorkeur aan verzetsstrijders. Ik raakte betrokken bij een aanslag. Eén van mijn maten ken je misschien wel: Barabbas. Je weet wel, die van ‘kruisig hem, laat Barabbas vrij!’ Ik had niet zoveel geluk als hij. Nu moet ik boeten. Weg paradijs, weg droom.
Ik ben niet alleen. Een vriend, iemand die leefde voor dezelfde droom, wordt tegelijk met mij gekruisigd. Want dat doen Romeinen met terroristen die zich verzetten tegen het Romeinse gezag: ze willen ons als afschrikwekkend voorbeeld stellen. Maar met ons wordt nog een derde aan het kruis gehangen, ene Jezus. Net als wij is hij een man die leefde voor zijn droom. Maar dat hij hier hangt, is raar. Die Jezus heeft nog nooit een wapen aangeraakt. Hij is geen terrorist, zoals wij. Hij heeft hier niets te zoeken.
Toch lijkt het erop dat alle aandacht hier op hem gericht is – voor ons is er maar een bijrolletje. Niemand die zich nog druk maakt om ons: alle hoon gaat naar Jezus. ‘Anderen heeft hij gered, laat hij nu zichzelf redden!’ Mijn vriend vind het wel vermakelijk. Het maakt deze uren net wat minder zwaar. Hij begint mee te doen met de door hem zo gehate elite: ‘gast, wat ben jij nou voor vrijheidsstrijder? Wat doe je hier in het midden, alsof je de godfather zelf bent? Ben jíj de messias?! Laat zien dan! Wil je nu een revolutie of niet? Dit is je laatste kans – stap van dat kruis af! Nee, dat kun je niet he, je bent gewoon de zoveelste bedrieger.’
Ik snap mijn vriend wel. Dit is hoe wij altijd hebben gedacht. Als de messias van God komt is hij een superheld die alle Romeinen het land uit mept, en zo het koninkrijk van Gód vestigt. Wij waren er alvast mee begonnen. Maar ja, je ziet waar het ons heeft gebracht…
Mijn leven is mislukt. Ik heb mijn leven geleefd voor een droom, maar de droom is ingestort. Ik sta hier bij de scherven van mijn leven, ik heb verloren – en daar is die Jezus. Ik begin anders naar hem te kijken. Is Jezus inderdaad een mislukte revolutionair? Het lukt mij niet hem zo te zien: er zit zo’n kracht in deze man. Heb je gehoord wat hij zei toen de roestige spijkers zijn polsen in gingen? ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Ik zal maar niet herhalen wat ík zei toen ik aan de beurt was. Jezus is zo anders, alsof hij uit een andere wereld komt. Misschien ís dat het wel: is hij inderdaad de messias van God! Heel anders dan wij hadden verwacht, maar wat wil je van God…
Ik kijk nog eens goed naar hem. In zijn ogen staat liefde. Alsof hij zegt: ‘ik doe het om bij jou te zijn. Ik ben van de hemel naar de aarde gekomen voor jou. En ik laat niet los, ook niet als het moeilijk wordt, al moet ik er deze hel voor doorstaan. Ik kom niet van dit kruis af, want ik wil bij je zijn, hier, bij de brokstukken van je leven!’
Dát is nog eens een koning. Ik vergeet helemaal waar ik ben. Mijn kruis, mijn uiteen gespatte droom, het bloed dat overal op mijn lichaam is opgedroogd, de honende menigte – het is er even niet meer. Alleen hij is er nog, en ik. Laat ze maar kletsen, laat ze maar lachen. Ik heb mijn leven voor de verkeerde droom geleefd. Deze Jezus is waar ik eigenlijk altijd al naar zocht. Ik weet dat ik niets meer te willen heb, ik heb in mijn leven de verkeerde weg gekozen, maar ik vraag het toch: ‘als u gaat, en als u uw koninkrijk ingaat, denk dan aan mij. Mag ik bij u zijn? Dat is alles wat ik wil.’
Jezus kijkt niet verstoord op, alsof ik hem iets ongepasts vraag – wat het eigenlijk wel is. Met een uitgedroogde, maar zo krachtige en liefdevolle stem, zegt Jezus: ‘jij en ik, ik laat je niet meer los, ik houd van je, je hoort bij mij. Vandaag nog zul jij met mij in het paradijs zijn.’ Jezus glimlacht, voor zover de wonden in zijn gezicht het nog toelaten, alsof hij zegt: ‘eindelijk, hier deed ik het voor’, alsof hij een jongen is die ‘ja’ hoort van het meisje van zijn dromen. Mijn hart maakt een salto. Ik ben bij hem, dus het is goed. Hier, waar mijn droom in scherven ligt, waar het paradijs waar ik voor streed verloren is, hier ben ik eindelijk vrij, voelt het alsof het paradijs al begonnen is! Amen.
