Als je God een plek geeft midden in je leven, dan werkt dat door op andere terreinen in je leven. Dan wordt je gezegend!
Inleiding
In deze adventstijd preek ik over Haggai. Haggai heeft 4 profetieën uitgesproken, dus dat is er voor elke adventszondag 1 – komt mooi uit! Vandaag de 3e, en dat is een mooie. Het eindigt met deze zin: ‘vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’
Ik had toen direct een liedje in hoofd: Alles is gezegend, van rapper Typhoon. Het is een vrolijk, aanstekelijk liedje, misschien wel hét liedje van het jaar. Typhoon bracht het liedje uit in de eerste coronagolf, en zo werd het liedje een bemoediging, bracht het een beetje positiviteit in dit vreemde jaar: Alles is gezegend / misschien komt alles goed en alles heeft een reden / al weet ik vaak niet hoe. Het werd direct een hit. Gewoon, omdat het van Typhoon is, maar ik denk dat er meer achter zit: alles is gezegend – wat verlangen we daarnaar! Typhoon zingt iets wat we heel graag willen: zegen.
Het liedje heeft trouwens nog veel diepere lagen. Typhoon schreef het na een heftige burn-out. Maar in het dieptepunt van die burn-out ontmoet hij God. Zelf vertelde hij afgelopen februari aan tafel bij De Wereld Draait Door dat die ontmoeting met God het begin werd van zijn herstel. Daar rapt hij ook over: ik was zo moe dat de duisternis kwam, zat in mijn vecht-of-vluchtmode / wilde niet huilen als man. Maar dan: Ik leef! Ik dank God want ik ben er nog steeds. Ik was al thuis vanaf het prilste begin. (…) Oog in oog met iemand die me door en door kent. Door dat alles heen heeft Typhoon zegen ontdekt.
En dat is precies waar het vandaag over gaat: gezegend! Waar kun je zegen vinden? Dat is de vraag waar we vandaag een antwoord op zoeken, en dat doen we vanuit die derde profetie van Haggai: hoofdstuk 2:10-19.
1. De eerste mijlpaal
‘Vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’ ‘Vanaf vandaag’: dat komt in dit stukje 3 keer terug – dan zal ‘vandaag’ wel een belangrijke dag zijn. In dit geval is ‘vandaag’ 18 december in het jaar 520 voor Christus. Oftewel: komende vrijdag is dat precies 2540 jaar geleden. Maar wat gebeurde er die dag?
Eerst wat herhaling: voor als je de vorige preken hebt gemist, of om je geheugen op te frissen. Haggai is profeet ná de ballingschap: koning Cyrus van Perzië heeft de Joden toestemming gegeven weer in hun eigen land te gaan wonen. Niet alle Joden grijpen die gelegenheid aan, ze zijn inmiddels geworteld in hun nieuwe land, maar een deel van de Joden keert terug. Maar ze keren terug naar een land in puin: hun huizen zijn met de grond gelijk gemaakt en de tempel is een ruïne.
Zo’n 15 jaar later begint Haggai te profeteren. In die 15 jaar hebben de Joden niet stilgezeten: Israël is weer bewoonbaar gemaakt. Maar de tempel is nog altijd een ruïne. En daar komt Haggai in beeld: hij houdt een donderpreek over wél huizen voor jezelf bouwen, maar niet voor God. Met effect: na 3 weken beginnen de Israëlieten de tempel te herbouwen. Eindelijk krijgt God weer de plek waar hij recht op heeft!
Vandaag, 18 december 520 voor Christus, is dat precies 3 maanden geleden. En vandaag is een feestelijk moment: de eerste mijlpaal van de bouw is bereikt. Zulke mijlpalen heb je bij bouwprojecten nog altijd: de eerste steen is bijvoorbeeld zo’n mijlpaal, al vind ik het wonderlijk dat die steen niet altijd de onderste is… Een andere mijlpaal is als de hele constructie staat en het hoogste punt is bereikt: op dat punt gaat de vlag uit. Vandaag gaat de vlag uit in Jeruzalem: de fundering van de tempel is gelegd. Nu kun je denken: ‘lekker belangrijk… Daar zie je later toch niets meer van.’ Maar ik geloof dat ik Zaankanters niet hoef uit te leggen hoe belangrijk een goede fundering is. Je ziet er inderdaad niets van, maar zonder goede fundering zakt je huis langzaam in elkaar tot het onbewoonbaar wordt verklaard. Dan mag je funderingsherstel laten uitvoeren, en van de rekening die je dan krijgt, wordt je niet vrolijk. Dus: een goede fundering moet je niet onderschatten en in Jeruzalem vieren ze er met recht een feestje om. Het fundament ligt – de eerste mijlpaal is bereikt.
Het is déze dag waarvan God zegt: ‘vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’ En dat vind ik bemoedigend! De tempel zelf is nog lang niet klaar, dat is een project wat zich jaren voortsleept. Maar daar wacht God niet op. God wacht niet met zijn zegen tot de tempel is opgeleverd en volledig afgewerkt. Nee: God zie hoe de teruggekeerde Israëlieten bezig zijn, hoe ze bouwen aan het huis van God, hoe ze zich inzetten voor Gods aanwezigheid in de wereld, en dát is voor God genoeg om zijn zegen te geven. Daarom mag Haggai vandaag, bij die eerste mijlpaal, terwijl het eindresultaat nog ver weg is, die belofte van zegen doen.
God zegent niet pas als wij klaar zijn. Niet pas als wij resultaat kunnen laten zien: ‘kijk God, wij hebben aan uw koninkrijk gebouwd, en dit is het geworden.’ Nee, God zegent als wij gewoon beginnen, als je werk maakt van zijn aanwezigheid in jouw leven, als je hem de plek geeft waar hij recht op heeft.
2. Vanaf vandaag zegen!
Bij dat feest van de eerste mijlpaal bij de tempelbouw spreekt Haggai deze profetie uit, die zo mooi uitloopt in de zegen van God. Maar Haggai zegt veel meer, en daar duiken we nu in. Ik kan me voorstellen dat je daarin de weg een beetje kwijtraakt… Dat overkwam mij in ieder geval wel, en ook de mensen die boeken hebben geschreven over Haggai gaan met deze profetie verschillende kanten op. Wat mij hielp om de weg in dit gedeelte terug te vinden, is deze hele profetie lezen vanuit dat ‘vandaag’: vanuit die eerste mijlpaal blikt Haggai terug én kijkt hij vooruit.
Haggai begint met terugkijken, en dat doet hij in een vraag-en-antwoordspelletje met de priesters. Het gaat over rein en onrein, en je moet wel een beetje ingevoerd zijn in de Joodse offergebruiken om daar direct een beeld bij te hebben. Vrij vertaald kun je zeggen: het gaat om ‘besmettelijkheid’ – en daar weten wij tegenwoordig alles van af… Je hoeft geen viroloog meer te zijn om mee te praten over R-waardes en aerosolen. Iedereen weet dat corona een besmettelijke ziekte is: ben jij gezond en kom jij te dicht bij iemand die besmet is, dan is de kans behoorlijk aanwezig dat jij ook besmet wordt. Andersom gaat de vlieger helaas niet op: dat als jij corona hebt, en in aanraking komt met iemand die het niet heeft, dat die dan zijn gezondheid op jou kan overbrengen. Dat zou wel heel fijn zijn trouwens als het zo zou werken! Of als het vaccin besmettelijk zou zijn…
Maar terug naar Haggai: met rein en onrein werkt het precies hetzelfde. Iets wat onrein is maakt alles waar het mee in aanraking komt onrein, maar iets wat rein is, draagt dat niet over. En dan is de grote vraag: waar doelt Haggai op? Ik zei al: de sleutel is om te lezen vanuit die mijlpaal. Met dit beeldend onderwijs zegt Haggai iets over hoe het vóór vandaag was. Het heilige offervlees staat voor de offers die de Israëlieten brachten: ook al was de tempel een verlaten bouwput, ze hadden wel een altaar opgericht om daar God offers te brengen. En op zich is dat mooi en goed, maar met offers alleen wordt je leven nog niet heilig. Integendeel: Haggai heeft het over een lijk waar je mee in aanraking komt, en dat is onrein. Waarschijnlijk doelt Haggai daarmee op de tempelruïne: die is onrein. Door met het lijk van de tempel te leven, werd het hele leven van de Israëlieten onrein – en daar veranderen een paar offers niets aan.
Vertaald naar nu: je bent nog geen christen als je een paar christelijke dingen of plichten doet. Je kunt heel goed christelijke dingen doen, naar de kerk gaan, bijbel lezen, bidden, geld geven, weet ik veel wat nog meer, en toch God niet de plek in jouw leven geven die hem toekomt. Misschien probeer je God tevreden te stellen, om zijn zegen af te dwingen, misschien gebruik je God voor een fijn gevoel, maar je geeft hem niet je leven. Dan ben je als die Israëlieten die wel offeren, maar de tempel in puin laten liggen.
En dat blijft niet zonder gevolgen. Dat hebben de Israëlieten gemerkt: voordat de bouw van de tempel werd hervat, mislukten de oogsten en leek alles tegen te zitten. Haggai herinnert zijn toehoorders eraan. Ook bij ons heeft het op een of andere manier gevolgen als je Gods aanwezigheid in jouw leven geen prioriteit geeft, als je weet dat hij er is, maar daar niet zoveel mee doet. Dan werkt dat door. Niet perse in materiele tegenspoed, zoals toen, maar misschien wel in onrust, of in een schuldgevoel of in dat je niet écht gelukkig en tevreden kunt zijn.
Dat is allemaal vóór die mijlpaal van vandaag: nu zijn de Israëlieten aan het bouwen geslagen en is het feest omdat de fundering klaar is. Om in dat beeld van Haggai te blijven: ze hebben de onreine tempel aangepakt! Ze proberen niet langer met wat offers God tevreden te houden, maar geven God nu echt een plek midden in hun leven: God mag bij hen wonen!
En ook dat werkt door! Nu ze God weer de plek geven die hen toekomt, zullen ze ook weer zegen gaan ervaren. ‘Let maar op,’ zegt Haggai, ‘vanaf vandaag zal God zijn zegen geven.’ En dat gaat dan dus niet alleen over de tempelbouw: die zegen gaat over heel het leven. Zoals Typhoon zingt: ‘álles is gezegend.’
Dus als jij, net als de tempelbouwers, God een plek geeft midden in je leven, zelf een tempel wordt, een plek waar God woont, en waardoor God zichtbaar wordt in deze wereld, als je daar maar gewoon mee begint, dan zál dat ook doorwerken op andere terreinen in je leven. Dat zegt Jezus ook: ‘zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en het andere ontvangt u bovendien’ – álles is gezegend. Weer: dat betekent niet perse materiele voorspoed. Het betekent wel dat je gezegend wordt met rust, vrede, vertrouwen, tevredenheid, hoop, geluk. Als je met God gaat leven, mag je zegen verwachten! Sterker: je ontdekt dat die zegen al lang klaar ligt. De grootste zegen is dat God zichzelf aan je geeft. God werd mens, het is bijna Kerst, en dat is een mijlpaal, een beslissende stap in Gods reddingsplan voor de wereld. Daar zegt God: ‘ik houd zoveel van jullie, dat ik word als jullie!’ Wát een zegen!
3. Tijd voor bezinning
Dus: verlang je naar zegen? Geef dan God een plek midden in je leven! Niet als trucje om zegen bij God los te peuteren: dan lijk je eerder op de Israëlieten die wel offerden, maar de tempel lieten verpauperen. Zo werkt zegen niet. Nee: als je met God leeft, ís dat al ultieme zegen! En de rest krijg je erbij: alles is gezegend.
De vraag is dus: welke plek heeft God in je leven? En dat is een mooie vraag voor in de adventstijd. Advent is de tijd van voorbereiden op Kerst, een tijd waarin, net als in de Lijdenstijd, vaak ook gevast werd: Advent is een tijd van bezinning. Dat gaat wel dwars in tegen hoe wij december meestal beleven: het is helemaal geen stille maand, maar een maand waarin je van het ene naar het andere koopjesfestijn gaat. Van Black Friday naar de Sintinkopen naar de Kerstinkopen: december is bij uitstek de maand van het consumentisme.
Maar Advent is juist een periode van bezinning, van je eens afvragen waar je staat ten opzichte van God. Jezus kwam op aarde wonen en hij wil in je hart wonen! Welke plek heb jij voor hem? Ik zou zeggen: schakel alle decemberherrie eens uit, en neem deze weken eens tijd voor bezinning. Zoek een stil plekje, maak een wandeling, ga fietsen, of wat ook maar helpt om tijd te nemen voor bezinning, en vraag jezelf: welke plek heb ik voor Jezus?
Want daar begint zegen! Dat is wat Typhoon heeft gemerkt: toen hij God weer ontdekte, werd dat een keerpunt. Vanaf toen klom hij weer omhoog, en kan hij zingen: ‘alles is gezegend!’ Amen.
