Een kerk kan naar binnen gekeerd zijn. Maar God heeft vanaf het begin al bedoeld dat zegen naar buiten wordt doorgeven. Dat begon al met zijn keuze voor Abraham en zijn familie.
Inleiding
Afgelopen voorjaar hebben we een nieuwe visie voor Menorah gepresenteerd: wij willen een kerk zijn die een familie is: een kerk waarin we met elkaar meeleven en elkaar bemoedigen. Daarom is het mooi dat we gisteren het nieuwe seizoen op de jeu-de-boulle baan zijn begonnen. In de vakantie hebben we elkaar minder gezien, of misschien helemaal niet, en dan is het fijn om samen iets leuks te doen en intussen wat te kunnen bijpraten. Straks bij de koffie is er ook weer alle tijd voor – nou ja, tot de koster het mooi geweest vindt. Dat hoort bij een kerk als familie.
Maar een ‘kerk als familie’ kan ook heel andere gedachten oproepen: dat het een gesloten clubje is van mensen die het reuze gezellig met elkaar hebben, maar waar je als iemand van buiten de familie gewoon niet tussen komt. Zoals zo’n verjaardag waar iedereen familie van elkaar is, behalve jij. De enige die jij kent, dat is de jarige. Die is blij dat je er bent, en hij voorziet je van koffie en taart, en jij geeft je cadeautje, en je praat even bij, maar dan moet de jarige weer aandacht aan de anderen gasten geven. Jij gaat maar bij een groepje onbekenden staan, je stelt je netjes voor, je probeert mee te doen in het gesprek, maar het gaat alleen maar over familiedingen waar jij niets van weet. Even verderop staat iemand alleen, dus je gaat daar maar eens een praatje aanknopen, en dat is even best leuk, tot je gesprekspartner door een bekende wordt begroet, en jij weer alleen bent.
Het hóeft trouwens niet zo te gaan: sommige families zijn er heel goed in je welkom te laten voelen. Maar wat voor familie zijn wij als kerk? Een kerk als gesloten familie is voor mij een horrorscenario. Als je hier vandaag voor het eerst bent, hoop ik dat je je niet alleen voelt omdat iedereen het te gezellig heeft met elkaar. Ja, we zijn een familie, maar dan wel een open familie, een familie waar iedereen zich welkom kan voelen.
Vandaag neem ik jullie mee ver terug in de tijd, naar de familie waar de kerk mee begonnen is: de familie Abraham. Je hoort vandaag waarom die familie geen gesloten familie was, maar een familie die een zegen was. En we gaan zoeken naar hoe ook wij een familie van zegen kunnen zijn. Laten we eerst naar het verhaal van Abraham luisteren: Genesis 11:27-12:9.
1. Verloren zegen
Het verhaal van Abraham is een verhaal van zegen – ‘zegen’ is een belangrijk woord in dit verhaal. En zegen, dat kan de wereld van die dagen wel gebruiken. Want de zegen van God, die heeft de wereld al heel lang verloren.
In de hoofdstukken voor Genesis 12, gaat het over de bijbelse prehistorie, van de schepping tot de torenbouw van Babel. Wat in die hoofdstukken steeds terugkomt, is dat de mensen niet meer van God willen weten, en dat God daar dan op reageert. God reageert steeds met een straf, een vloek: Adam en Eva worden het paradijs uit geknikkerd, Kaïn wordt verbannen uit zijn familie, en later verdrinkt de hele mensheid met uitzondering van familie Noach. Maar steeds is straf niet het enige: er ook genade. Genade voor Adam en Eva, genade voor Kaïn, genade voor Noach. Het is een patroon: straf, maar ook genade, vloek, maar ook zegen. God blijft het met de mensen proberen.
En dan volgt het verhaal over de toren van Babel, in Genesis 11. De mensen hebben weer eens bedacht dat ze niet van God willen weten, dat ze wel voor zichzelf zullen zorgen, en dat ze God helemaal nergens voor nodig hebben. En God reageert met een straf: iedereen spreekt opeens een andere taal! Maar na dít verhaal volgt er geen zegen. Er gaat minstens 400 jaar voorbij, het kan ook veel meer zijn, waarin niets van God wordt gehoord, waarin mensen allerlei goden hebben maar niemand God nog kent, waarin geen zegen van God is.
Een wereld die de zegen is verloren – het zou zomaar over de wereld van vandaag kunnen gaan. Het was een zomer vol slecht nieuws. Met veel te veel zon en veel te weinig regen. Met een oorlog in Oekraïne die maar doorgaat. Met beelden uit Ter Apel die we alleen van Lesbos kenden. Met een torenhoge inflatie en nog hogere gasprijzen, en voor steeds meer mensen de vraag of ze nog wel rond komen. Met een stikstofcrisis waar de oplossing ver weg lijkt. En misschien nog wel het grootste probleem: de onwil problemen aan te pakken, omdat we zo gehecht zijn aan onze vertrouwde manier van leven. Komt er nog eens goed nieuws? Komt er ooit nog zegen?
2. God zegent – door een familie
Dáár pakt Genesis 12 de draad op: als het erop lijkt dat Gods zegen voorgoed verdwenen is. Als het de vraag is of God ooit nog iets met mensen te maken wil hebben. In Genesis 12 komt het antwoord: ja, dat wil God! God wil zegenen, en brengt zijn zegen door 1 familie terug de wereld in. Het is de familie Abraham.
Het is een nogal onwaarschijnlijk plan. Elke vorm van logica lijkt te ontbreken in Gods keuze voor Abraham. Je zou denken dat God dan iemand kiest die in die wereld zonder God toch altijd heeft geprobeerd God vast te houden. Maar nee: God kiest voor Abraham, die zijn eigen afgoden dient. Dat verzin ik niet – het staat in de bijbel, in Jozua 24. Misschien kon God niemand beter dan Abraham vinden. Dat zou zomaar kunnen, maar dan nog. Abraham en Sara zijn de jongsten niet meer. Zij zijn op de leeftijd dat ze rustig zouden mogen genieten van hun pensioen, ware het niet dat ze niet bij een pensioenfonds waren aangesloten – daar hadden ze een paar duizend jaar later voor geboren moeten worden. Hun pensioen was hun familie – die ze nu juist moeten verlaten… Over familie gesproken: ze hebben geen kinderen. Sara kan geen kinderen krijgen. De familie zal snel uitsterven. De familie Abraham lijkt niet het ideale kanaal om Gods zegen terug te brengen in de wereld. En als het al lukt, zal het van korte duur zijn: na Abraham loopt de stamboom dood en is Gods zegen wéér verloren.
Tóch gaat God voor Abraham. ‘Abraham, trek weg uit je land – ik heb andere plannen met jou.’ En Abraham gaat, weg van zijn goden weg van zijn zekerheid, een onbekende toekomst tegemoet. Alles wat hij heeft is een belofte van God, die onwaarschijnlijk in de oren klinkt: ‘Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven.’ Voor Abraham is het genoeg: hij gaat!
God brengt zijn zegen terug door de familie van Abraham. Een stukje van die zegen heeft Abraham zelf meegemaakt. Abraham was rijk. Abraham bereikte een hoge leeftijd. Tegen alle verwachtingen in, kwam er een zoon. Het was genoeg om te geloven dat God zijn familie zegende en zou doen wat hij beloofd had. Ik denk dat je Menorah ook een gezegende familie mag noemen. Wat hebben we het goed! Wat is het mooi dat we elkaar van God gekregen hebben. Wat is het heerlijk om te mogen leven als mensen die hoop hebben. Wat is het een voorrecht God te kennen en te weten dat hij met ons is.
Maar als God je heeft uitgekozen om je te zegenen, dan is er ook altijd het gevaar dat je trots wordt. ‘God heeft ons gekozen en jullie lekker niet!’ De familie Abraham kan buiten zijn schoenen gaan lopen. Als kerk kunnen we héél tevreden met onszelf zijn. En dat is dus precies niet Gods bedoeling! God zegent Abraham niet zodat hij en zijn familie eens even lekker kunnen genieten van het goede leven, zonder zich iets te hoeven aantrekken van al die ongelukkigen om hen heen die God niet zegent. Nee, Abraham krijgt er opdracht bij: ‘wees een zegen’. Of: ‘een bron van zegen zul je zijn.’ En even verderop: ‘door jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’ Abraham wordt gezegend óm een zegen te zijn! God brengt zijn zegen door deze familie terug de wereld in, en door deze familie moet de zegen overal naar toe gaan. Dat is het bestaansrecht van het volk Israël in het Oude Testament, dat volk dat God aan Abraham belooft. Een volk dat de zegen van God doorgeeft aan alle volken – vandaar dat we net Psalm 87 hebben gezongen.
In de praktijk viel dat tegen. Er ging helemaal niet zoveel zegen van Israël naar de volken. Het was eerder andersom: Israël vond de manier van leven van de andere volken maar wat interessant, en nam al snel van alles van hén over. Missie mislukt. Maar… niet bij God! Want Jezus komt uit die familie van Abraham. En Jezus maakt, in zijn eentje, die opdracht helemaal waar: wees een zegen. Jezus is een zegen, niet alleen voor het Joodse volk. Door Jezus gaat Gods zegen de hele wereld over, en geldt ook voor ons dat we door de familie van Abraham gezegend zijn.
En weer: om een zegen te zijn. Dat is ook het bestaansrecht van de kerk, het bestaansrecht van Menorah. Ook wij moeten een familie van zegen zijn, een familie door wie Gods zegen Zaanstad in stroomt. Is dat zo? Ik vind het wel een mooie vraag: zou Zaanstad er iets aan missen als Menorah wordt opgeheven? En zou jouw straat er iets aan missen als jij verhuist? Zijn wij, als familie, een zegen? Ben jij, als christen, een zegen?
Dat kan in heel kleine dingen zitten: ik zie zegen in een buurman die ons druiven komt brengen van zijn druivenrank. En andersom vindt onze buurt het fijn dat in onze tijd een minibieb staat. Dat is ook zo’n kleine zegen. Ook als kerk kun je op allerlei manieren een zegen zijn. Afgelopen week scrollde ik nietsvermoedend door de NOS-app, en opeens zag ik een oud-huisgenoot van mij die werd geÏnterviewd, ds. Tom Waalewijn uit Leek, die vertelt over opvang voor asielzoekers in de kerk. Laten we het even kijken. https://nos.nl/video/2442642-asielzoekers-opgevangen-in-kerken-juist-een-taak-voor-de-kerk
3. Wees een zegen
Als kerk willen wij een familie zijn. Maar geen familie die het reuze gezellig heeft met elkaar, terwijl de wereld buiten die familie niets van ons merkt: we zijn een familie die een zegen voor de stad mag zijn. Maar hoe doe je dat, een zegen zijn?
Daar wil ik graag even met elkaar over nadenken. En dan draai ik de vraag even om: niet hoe jij een zegen bent voor anderen, maar hoe anderen een zegen zijn voor jou. Die vraag mag je even met elkaar bespreken, het liefst met iemand van buiten je eigen gezin: hoe zijn anderen een zegen voor jou, hoe zie jij anderen een zegen zijn?
(daarna plenair: inventarisatie – meeschrijven)
Een zegen zijn – dat hoeft helemaal niet zo moeilijk te zijn! Het kan op allerlei manieren. Op welke manier kun jij een zegen zijn? Amen.
