Galaten 4 | Hoe vrij ben jij?

Inleiding

We gaan vanmorgen verder met de brief van Paulus  aan de christenen in Galatië. Het overkoepelende thema van de hele brief is: christelijke vrijheid. Als je gelooft in Gods liefde voor jou, hoe je daarna niet aan allerlei voorwaarden te voldoen: je bent vrij.

Maar ben je wel écht vrij? Stel je eens een gevangene voor. Hij, of zij – dat kan natuurlijk ook, moet 8 jaar zitten. Die jaren gaan tergend langzaam voorbij en werkelijk alles in de gevangenis staat onze gevangene tegen: het eten, de bezoekuren, de bewakers, het bed – alles! In zijn cel heeft hij een afstreepkalender gemaakt, waarop hij de nachten aftelt dat hij hier nog moet blijven. Hij droomt van een leven in vrijheid: een lange wandeling maken door de weilanden, niemand die toezicht op jou hoeft te houden, en eindelijk fatsoenlijk eten.

Een eeuwigheid later is hij dan eindelijk vrij. Hij gaat de natuur in,  geniet ervan dat hij eigen baas is, en eet de heerlijkste maaltijden.

Een week later gaat de bel bij de gevangenis: ding-dong. Nou ja, waarschijnlijk hebben ze daar zo’n deprimerende zoemer,  maar in ieder geval wordt er aangebeld. Een van de bewakers doet open, en jawel:  daar staat onze voormalig gevangene. ‘Mag ik alsjeblieft terug de gevangenis in? Daarbuiten wordt ik helemaal gek. Ik hoop dat mijn cel nog niet aan een ander vergeven is. Wat staat er op het menu vanavond?’

Zoiets, zegt Paulus in Galaten 4, doe je wanneer je Jezus hebt leren kennen en vervolgens allerlei regels invoert. Je bent vrij, maar gaat vrijwillig terug de gevangenis in. Of, zoals Paulus zegt, je maakt je opnieuw slaaf. Daar lezen we over: Galaten 4:1-5:1, met als thema: ‘hoe vrij ben jij?’

1.   Niet langer slaaf

Paulus neemt ons vandaag mee naar de tijd voordat de Galaten Jezus leerden kennen. ‘Toen,’ zegt Paulus, ‘waren jullie slaven, onderworpen aan goden die geen goden zijn.’

Vorige week liet ik even vallen dat de Galaten Kelten zijn, west-Europeanen die in Turkije zijn beland, en ik heb nergens kunnen vinden of zij de Keltische goden hebben meegenomen, of dat ze de goden van de Griekse godenwereld hebben overgenomen. Veel maakt het ook niet uit, want bijna alle godsdiensten in die tijd leken op elkaar. Met uitzondering van het Joods en het christelijk geloof, waren alle godsdiensten polytheïstisch. Dat wil zeggen: er waren meerdere goden.

Wil je dat het gaat regenen zodat je plantjes lekker groeien, dan moet bij de regengod zijn. Heb je liever zon, omdat je je zonnepanelen terug wilt verdienen, dan moet je juist bij de zonnegod zijn. Wil je een beter seksleven, dan moet je bij de lustgodin zijn – vreemd genoeg is dat altijd een godin… Win je liever een handelsoorlog van je concurrent, dan heb je daar de god van de handel voor. Om het Eurovisie songfestival te winnen kun je wel wat hulp gebruiken van de muzikale goden, terwijl sportminnend Nederland beter een beroep kan doen op de sportgoden. Wat hulp van onze landgoden kunnen we bij beide trouwens ook goed gebruiken.

Zo ongeveer zag elke godsdienst in die tijd eruit. Voor ons klinkt dat waarschijnlijk vrij belachelijk, maar zo gek is het nog niet! Pel die laag van een verzonnen godenwereld er even vanaf, en je hebt wat wij nog altijd doen. Volgens Tim Keller, predikant in New York, kan alles een god voor je worden. Alles waarvan je zegt: ‘als ik dát heb,  dan zal ik het gevoel hebben dat mijn leven zin heeft, dat ik meetel, dan voel ik me waardevol en veilig,’ alles waarvan je dat zegt is een afgod. Of het nu je carrière is, je uiterlijk of je status.

En dan zegt Paulus: het zijn slavendrijvers. Voor de goden uit de godenwereld van toen moest je van alles doen: het was hard werken om de goden tevreden te houden. Ze waren grillig en onvoorspelbaar en vroegen volledige toewijding. Onze goden zijn niet heel anders: voor je het weet ben je een slaaf van je carrière. Of je wordt helemaal leeggezogen omdat je een imago in stand wilt houden.

Dus waarom dóen we het eigenlijk, ons onderwerpen aan die nepgoden? Uiteindelijk is dat omdat we iemand willen zijn. Ik weet, dat is een snelle conclusie, maar volgens mij is dát de diepste laag: wij willen ertoe doen, meetellen, geliefd zijn. Dat proberen we van onze goden te krijgen.

‘Dát,’ zegt Paulus, ‘was jullie leven voor jullie Jezus leerden kennen.’ Je kent misschien wel van die metamorfose-plaatjes: een plaatje ‘voor’ en een plaatje ‘na’. Dat hele verhaal van die goden is het plaatje ‘voor’, ‘Jezus’ is het plaatje ‘na’. Het grote verschil: bij Jezus ben je niet langer slaaf!

Christen worden is iets anders dan de ene god inwisselen voor de andere. Ik kan de carrièregod wel inwisselen voor de gezondheidsgod, maar daarmee kom ik niets verder: ik blijf een slaaf die hard voor zijn goden moet werken om te blijven meetellen. Jezus zegt nu juist: ‘kom bij mij, en ik geef je waar je zo naar verlangt: bij mij tel je mee, ik ken je, ik houd van je – kijk maar naar het kruis, dat heb ik voor jou gedaan –  en wat jij doet, voegt daar niets aan toe, en doet daar niets aan af. Als je in mij gelooft ben je geen slaaf, maar kind van God.’ Wat een bevrijding is dat!

2.   Toch weer slaaf?!

Dan wil je nooit meer anders, zou je denken. ‘Maar,’ zegt Paulus, ‘jullie lijken op die gevangene, die na een weekje in de vrijheid weer bij de gevangenis aanklopt, met het vriendelijke verzoek hem alsjeblieft weer op te sluiten.’ Paulus wordt er wanhopig van: ‘wat bezielt jullie?’

Net als in de vorige hoofdstukken van de brief, gaat het Paulus om het al dan niet invoeren van de Joodse wet, of van wat voor regels dan ook maar die je zouden moeten helpen om verder te groeien in je geloof – dat thema blijft in Galaten terugkomen. Paulus heeft dat al zo fel als hij maar kon afgewezen, en voegt er nu een nieuw beeld aan toe: als je als christen regels gaat invoeren, maak je je opnieuw slaaf. De regels zijn net zo goed slavendrijvers als de nepgoden.

‘Hoe is het toch mogelijk’, zegt Paulus in vers 9, ‘dat u die God hebt leren kennen, meer nog, door God gekend bent, u opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan als slaven onderwerpen wilt?’ Alsof de Galaten terug willen naar de gevangenis van de godenwereld. Maar met ‘die zwakke, armzalige machten’ bedoelt Paulus nu niet de goden. Er is niets dat erop wijst dat de Galatische christenen het christelijk geloof vaarwel willen zeggen. Ze willen juist betere christenen worden door de Joodse regels in te voeren! Maar volgens Paulus ruilen ze daarmee de ene gevangenis in voor de andere.

Dat ís nogal wat! Paulus stelt de Joodse wet op 1 lijn met de afgoden. Koosjer eten en offers brengen aan een of andere Griekse god: het is allebei afgodendienst. Aanvullende regels voor christenen en leven voor je carrière: zelfde verhaal.

Want ook met leven volgens de regels probeer je iemand te zijn. Als je wilt groeien als christen door aan de regels te voldoen ben je bezig jezelf acceptabel te maken voor God: ‘kijk eens hoe ik mijn best doe!’ Maar regels zijn slavendrijvers: je mag nooit een moment verslappen, ze vragen altijd meer van je en het is nooit goed genoeg. Dat is ook de ervaring van Israël, dat al zo’n 1500 jaar met die regels leefde: door volgens de regels te leven maak je jezelf niet acceptabel voor God, maar kom je er steeds weer achter dat je tekort schiet.

Van je wanhopig aan de regels moeten houden om mee te tellen, terwijl je steeds met je eigen falen wordt geconfronteerd, daar wordt je niet bepaald een aangenamer mens van. Je wordt juist bang, nukkig, veroordelend en hard. En ondertussen blijf je op zoek naar die erkenning dat jij iemand bent, en zoek je het in je carrière, je gezin, je liefdesleven, je imago, je plichtsbesef, je zelfontplooiing, je invloed –  waarmee je weer terug bij af bent bij je oude goden. Terug in de gevangenis.

De Galaten zelf zien het misschien als iets onschuldigs om volgens de Joodse regels te gaan leven, maar Paulus laat zien wat de consequenties zijn. Je kunt niet, ook als christenen van nu, allerlei regels invoeren zonder het goede nieuws van Jezus van al zijn kracht te beroven.  Regels zijn slavendrijvers en laten je zitten met angst. Want daar komt het uiteindelijk op uit: angst. Je bent bang voor God, je wilt jezelf daarom voor hem bewijzen, je merkt dat je daarin tekort schiet, waardoor je nog banger wordt voor God, en nog harder je best voor hem moet doen.

Dan zou Paulus zeggen: ‘ben je het goede nieuws van Jezus nu al vergeten?! Je doet precies als vroeger: je doet enorm je best iemand te zijn, je beult jezelf af om voor God mee te tellen. Maar God wil geen slaven, hij wil kinderen! Jullie hebben God toch niet als slavendrijver leren kennen? Nou dan!’

 ‘U bent door God gekend,’ zegt Paulus. Precies dat wat we van onze goden willen, dat je meetelt, iemand bent, geliefd bent, dat is wat God door Jezus aan jou geeft! God zegt: ‘ik ken je, je mag er zijn, bij mij tel jij mee, ik houd van je, want je bent mijn kind – daar hoef jij niets voor te doen. Probeer jezelf niet te verbeteren, je voor mij te bewijzen, maar geniet nou gewoon van wie ik ben.’

Je mag er zijn – en dat heeft alles met vrijheid te maken. Dat is een vrijheid die zeldzaam is. Nederland is zo ongeveer het meest vrijgevochten land ter wereld, maar ondertussen schrijven we elkaar heel wat regels voor. Wil je meetellen, dan moet je een vlotte babbel hebben, er jong en krachtig uitzien, een indrukwekkend cv kunnen tonen, enzovoort. Waar vind je in deze wereld nou een plek waar je helemaal jezelf mag zijn? Waar vind je een plek waar je niet aan verwachtingen hoeft te voldoen? Een plek waar je er altijd bij hoort? Bij God dus! En als het goed is daarom ook bij de kerk: hier hoef je je niet anders voor te doen dan je bent.

3.   Je bent geliefd!

Hoe vrij ben jij? Die vraag is ons thema. Ik merk bij mijzelf dat die neiging mij voor God te bewijzen best diep zit. En dat ik juist dan ook teleurgesteld raak in mijzelf, en afleiding ga zoeken, om daar te horen dat ik er mag zijn. Gods antwoord daarop is heerlijk: je bent al lang geliefd! Dat is hét antwoord op onze neiging onszelf slaaf te maken. Maar dan is het wel belangrijk dat je je dat eigen maakt. Hoe doe je dat?

Daarover wil ik 2 dingen meegeven. 1: laat God het je voorhouden. En dat betekent: neem tijd om met God om te gaan. Klinkt bijna als een regel, maar zo bedoel ik het dus niet. Maar hoe kun je nou beseffen dat je geliefd ben als je God niet eens de kans geeft het tegen je te zeggen? Als ik een maand niet met Hanneke zou praten, gewoon, omdat ik dat zo’n gedoe zou vinden, dan moet ik niet gek staan te kijken als onze relatie in een ijskoude crisis belandt. Als Gods liefde écht is waar je zo naar hunkert, dan is het op zijn minst opmerkelijk dat je agenda vol staat met alle ballen die je in de lucht moet zien te houden -slavendrijvers- maar geen tijd hebt om van Gods liefde te genieten.

En 2: houd het elkaar voor. Namens God mag ik het tegen jullie zeggen: ‘je bent geliefd, ja, jij!’ En ik hoop dat dat landt. Maar het wordt nog krachtiger  als je het rechtstreeks tegen elkaar zegt. Bijvoorbeeld op een groeigroep – dan komt het dichterbij. Zelf doe ik ook mee met een groep voor voorgangers. Een van de dingen die we daar doen  is met elkaar delen welke goden aan je leven trekken en waar je probeert Gods liefde te verdienen, om vervolgens ieder persoonlijk voor te houden: ‘dat hoef je niet te doen – je bent allang geliefd!’ Dan voel ik me kind en ga ik blij naar huis.

Dus knoop het goed in je oren: je bent geen slaaf, maar geliefd kind van God! Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: