Wie ben ik? Die vraag kan je bezighouden. Paulus heeft een prachtig antwoord gevonden: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.
Inleiding
Ik heb een spelletje van mijn kinderen meegenomen, overigens zonder hun toestemming te vragen. Misschien ken je het wel. En anders: de spelregels zijn niet moeilijk. Bovendien heb ik ze wat aangepast, zodat we het spel even kunnen doen.
Ik heb hier 20 kaarten met verschillende personen erop – ze staan ook op het scherm. Ik kies er 1, en jullie moeten raden welke. Jullie mogen mij vragen stellen die ik met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord. Normaal gesproken mag je dan de kaarten wegleggen waarvan je weet dat ze het niet zijn, maar dat staat de techniek helaas niet toe. Maar jullie zijn met veel meer dan ik, dus samen kunnen jullie het vast onthouden. Wie mag ik de beurt geven voor de eerste vraag?
(spel spelen tot het geraden is)
Waarom komt ‘ie met zo’n spelletje, zullen jullie denken. Nou, dat is omdat het vandaag gaat over identiteit. Net als in ‘wie is het?’ De vragen die jullie stelden gingen allemaal over uiterlijk, en dat is logisch, want jullie moesten het met plaatjes doen. Maar hoe je eruit ziet ís ook belangrijk voor wie je bent. Als die personen uit ‘wie is het?’ zelf aanwezig waren geweest, konden we vragen naar familie, werk, hobby’s, talenten, politieke voorkeur, enzovoort. Allemaal dingen die iets zeggen over wie je bent.
Ik ben wat verder gaan zoeken op het thema ‘identiteit’, en kwam een mooi model tegen: deze piramide. Ja, bekijk hem maar even goed. Volgens dit model speelt je leven zich af op 6 niveaus: omgeving, gedrag, vaardigheden, overtuigingen, identiteit en zingeving. Met identiteit zitten we dus behoorlijk hoog in de piramide. Het idee is dat als er bovenin iets verandert, er onderin altijd ook iets veranderd. Dus als ik bijvoorbeeld andere overtuigingen krijg, ga ik me anders gedragen. Andersom kan ook, maar dat hoeft niet altijd.
Dit model is een mooi hulpmiddel bij Galaten 2, wat we gaan lezen. Het gaat in dat hoofdstuk veel kanten op, maar uiteindelijk komt het uit bij de vraag: wie ben ik? Dan geeft Paulus een prachtig antwoord: ‘ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ Het gaat dus over ‘een nieuwe ik’ – dat is het thema. Laten we Galaten 2 lezen.
1. Oude gewoonten…
Vorige week zijn we met deze brief van Paulus begonnen. We maakten kennis met de christenen in Galatië, een streek in Turkije. Paulus was de eerste die hen over Jezus had verteld. Maar toen Paulus weer verder trok, kwamen er anderen die zeiden: ‘jullie geloven nu wel in Jezus, maar dan moet je je ook aan de Joodse wet houden.’ Als Paulus daarvan hoort, schrijft hij op hoge poten deze brief: ‘Galaten, laat je niets wijsmaken, laat je geen nepevangelie aanpraten! Jezus is niet het opstapje om Joods te worden – Jezus alleen is genoeg!’
Die discussie werd niet alleen in Galatië gevoerd: het was het grootste discussiepunt in de eerste christelijke kerken. In Galaten 2 vertelt Paulus over zijn ervaringen in andere kerken met dat thema: moeten christenen Joods worden? Voor ons klinkt dat waarschijnlijk niet als een heel spannende vraag. Als er een lezing over wordt gegeven, vermoed ik dat maar weinig mensen komen opdagen… Maar vergis je niet: het was echt een hot item. Deze vraag raakte mensen tot in het diepst van hun bestaan, tot in hun –daar heb je hem- identiteit. Deze ene vraag stelde alle zekerheden die de mensen hadden ter discussie.
De Joodse identiteit gaat veel dieper dan de Nederlandse. Ik voel me echt een Nederlander. Ik moet er niet aan denken naar een ander land te verhuizen. Ook al heb ik helemaal niets met voetbal, toch baal ik ervan dat Ajax de finale van de Champions League in de laatste minuut is afgepakt. Dat het een Amsterdamse club is doet daar niets aan af… Maar de Joodse identiteit gaat veel verder dan zo’n ‘wij-gevoel’. Jood zijn is je cultuur, je religie, de mensen waarmee je omgaat, je eten, je leven – het is alles!
En dan komen er nieuwe gelovigen, niet Joods, die in jouw God gaan geloven, maar die hele Joodse identiteit links laten liggen. Ze trekken zich niets aan van alles wat voor jou zo belangrijk is. Het blijven onbesneden heidenen die niet koosjer eten. Kán dat zomaar?
Wij leven in een heel andere tijd, maar de vragen van toen zijn verrassend actueel. Wij leven namelijk ook in een tijd waarin alles verandert. Al je zekerheden worden ter discussie gesteld. Dat geldt ook voor de kerk. Zeker als je midden in de wereld kerk wilt zijn, en zo heeft Jezus het wel bedoeld, krijg je allerlei ingewikkelde vragen op je bordje. Vragen die alles wat je altijd hebt gedaan en wat je altijd belangrijk hebt gevonden opeens in twijfel trekken. Synodes hebben het er maar wát druk mee… De eerste reflex is dan om in de verdediging te schieten, grenzen te stellen en af te bakenen: zó zijn onze manieren. In de kerk gebeurt dat helaas maar al te vaak… Maar die allereerste kerken hebben de moed gehad ruimte te bieden: geen andere voorwaarden dan het geloof in Jezus!
Maar oude gewoonten steken zomaar weer de kop op. Daarover gaat het conflict tussen Paulus en Petrus. Stel je eens even voor dat jij erbij was. Het speelt zich allemaal af in een eetzaal in Antiochië, een belangrijke stad voor de eerste christenen. Vandaag is er hoog bezoek: zowel Paulus als Petrus eet mee, net als een delegatie christenen uit Jeruzalem. Het zijn de sleutelfiguren uit de kerk, en je hebt grote bewondering voor hun inzet voor het evangelie. Maar dan staat Paulus op: hij is het niet met Petrus eens – en iedereen moet dat weten. Hij neemt Petrus niet even apart, maar wijst hem publiek terecht! Je oren staan er nog steeds van te klapperen…
Wat was daar aan de hand? Volgens de Joodse wet mogen Joden niet met heidenen eten: dat is onrein. Petrus heeft die hele Joodse manier van leven losgelaten: hij heeft geleerd dat het voor God niet uitmaakt of je Jood bent of niet. Maar als blijkt dat er ook een delegatie Jeruzalemse christenen mee-eet, vervalt Petrus in oude gewoonten. Opeens wil hij niet meer met heiden-christenen aan tafel zitten. Andere Joodse christenen volgen daarop zijn slechte voorbeeld. En dán staat Paulus op.
Je kunt het ook in die piramide zetten. Het begint met een verandering op het laagste niveau: de omgeving. Er is namelijk een delegatie uit Jeruzalem op bezoek. Die verandering maakt dat Petrus zich anders gaat gedragen: één niveau hoger. Hij eet niet meer met heidenen, en doet daarmee alsof zij tweederangs christenen zijn.
2. Een nieuwe ik
Paulus ziet het helemaal mis gaan en staat op. Hij doorziet wat hier gebeurt en kan niet stil blijven. En wat ik heel mooi vind: hij trekt het naar het diepste niveau. Hij zegt niet: ‘Petrus, dit past niet bij hoe je je als christen hoort te gedragen.’ Nee, Paulus zegt: ‘dit past niet bij wie je als christen bent! Toen je christen werd, werd je toch een ander mens?! Die oude gewoonten botsen met je nieuwe identiteit.’ Het gaat dus niet om wat je wel of niet doet, het gaat om wie je bent! Want christen worden is niets minder dan een nieuwe identiteit aannemen, een nieuwe ik worden, opnieuw uitvinden wie je bent.
Laten we de piramide er maar weer bij pakken. Petrus begint onderaan: zijn omgeving verandert, en daarom verandert zijn gedrag. Paulus begint juist bovenaan: bij zingeving en identiteit. Hij zegt: ‘Petrus, daar bovenin kunnen we elkaar vinden, toch? Jij en ik, wij geloven allebei in Jezus Christus. We geloven allebei dat hij het doel is van ons leven. Daarom hebben wij allebei een nieuwe identiteit gekregen: bepalend is niet langer dat we bij het Joodse volk horen, maar dat we bij Jezus horen. We zijn er allebei van overtuigd –weer een niveau lager- dat God geen verschil maakt tussen Joden en heidenen, en dat we dat daarom zelf ook niet moeten doen. Maar nu doe jij dat toch! Zie je dan niet hoe hypocriet dat is? Je bent toch niet vergeten wie je bent? Petrus, jij laat je leiden door angst voor mensen, daarmee gooi je de christelijke vrijheid overboord. Alsjeblieft, vergeet niet wie je bent!’
Paulus houdt dat Petrus voor, en de Galaten, maar ook ons: vergeet niet wie je bent! Als christen krijg je een nieuwe identiteit. Maar hoe ziet dat er dan uit? Wie ben je dan als christen? Dan komen die prachtige woorden van Paulus: ‘ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ Dat is dus Paulus’ antwoord op de vraag ‘wie ben ik’: Christus leeft in mij. Leuk om eens uit te proberen in een voorstelrondje: ‘wie ben jij?’ / ‘Christus leeft in mij.’ Ik vermoed dat je dan glazig wordt aangekeken…
Het is dan ook niet bedoeld voor voorstelrondjes, maar meer voor een goed gesprek: wie of wat maakt jou tot wat je bent? Dan nog is het een mysterieus antwoord: ‘Christus leeft in mij.’ Maar wat zit er veel in! Als Christus in jou leeft, dan zit het goed tussen jou en God. Paulus noemt dat zo: ‘je bent rechtvaardig voor God.’ Als Christus in jou leeft, dan kijkt God naar jou, en ziet hij zijn Zoon! Als Christus in jou leeft, wordt je een compleet nieuw mens. Dan heb je geen Joodse wet nodig om iemand te zijn. Dan heb je geen maniertjes nodig om ergens bij te horen. Dan hoef je niet te presteren om gezien te worden. Christus leeft in jou – meer heb je niet nodig!
Ik kwam een mooie uitspraak tegen van de Amerikaanse predikant Tim Keller: ‘een Amerikaanse of Europese christen heeft veel meer gemeen met iemand van een of andere excentrieke nomadenstam van de vlakten in Mongolië die het evangelie aanvaard heeft dan met zijn ongelovige buurman die in net zo’n auto rijdt en zijn kinderen naar dezelfde school stuurt als hij.’ Want als christen is Jezus allesbepalend voor wie je bent.
Nu kan ik me voorstellen dat je denkt: ‘mooi is dat… Dus Jezus bepaalt wie ik ben. Mag ik dan nog wel mijzelf zijn?’ In onze cultuur wordt je sterk aangemoedigd om op zoek te gaan naar wie je bent, en dan vooral naar wat uniek is aan jou.
Paulus zou dan zeggen: juist als je die nieuwe ik gevonden hebt, als Christus in je leeft, juist dan kun je jezelf zijn. Paulus heeft het namelijk over ‘de christelijke vrijheid’. Juist als je ontdekt dat God door Jezus zielsveel van je houdt, als je weet dat je een geliefd kind van God bent, dat je daarvoor niet aan allerlei voorwaarden hoeft te voldoen, dat je jezelf voor God niet hoeft te bewijzen, dat je niet wordt afgerekend op je prestaties, dat je je niet in een of ander systeem hoeft te voegen, juist dan ben je vrij om jezelf te zijn. Om uniek te zijn, zoals God je heeft bedacht.
3. Leer wie je bent
Dus: leer wie je bent! En dat is best lastig, want identiteit is een behoorlijk ongrijpbaar ding. Niet voor niets kun je je hele leven zoet zijn met die ene vraag: ‘wie ben ik?’ Het is veel makkelijker om het over gedrag hebben – ook in de kerk. We hebben vaak een beetje een moeizame verhouding met regels: aan de ene kant moeten we niets van regels hebben, aan de andere kant is het toch ook wel fijn om te weten waar je aan toe bent…
Het is ook niet zo dat je gedrag onbelangrijk is! Paulus vindt dat het gedrag van Petrus voor een christen niet kan. Maar: wie je bent, bepaalt wat je doet – niet andersom. Daarom spreekt Paulus Petrus aan op wie hij is. Ik hoop dat we op dat niveau ook met elkaar kunnen praten! Dat klopt ook helemaal met die piramide: wil je je gedrag veranderen, dan moet je het bijna altijd hogerop in de piramide zoeken. Te vaak blijven we hangen op het niveau van uiterlijkheden, en doen we alsof het in de kerk om de regels draait.
Ik ga proberen het wat concreter te maken. Vorige week noemde ik dat ik als ik vastloop met mijn werk, dat ik dan mijn telefoon pak en op Facebook beland. Dat gebeurt meer dan ik wil. Het is gedrag dat ik graag zou willen veranderen: door even te Facebooken voel ik me echt niet beter. Bovendien heb ik alleen mijzelf er maar mee, want dan zit ik ’s avonds te doen wat ik overdag niet klaar heb gekregen… Dan kan ik tegen mijzelf zeggen: ‘Mark, houd toch op met dat Facebooken.’ Maar je voelt hem al aankomen: dat helpt niet…
Ik kan ook mijzelf de vraag stellen: waarom doe ik dat steeds? Daar zitten natuurlijk meer kanten aan, maar een stukje is angst voor mensen. Dan ben ik zelf al niet helemaal tevreden met mijn werk, en hoor ik de stemmen van anderen al: ‘hij had zijn week niet echt he?’ Die angst is behoorlijk verlammend, en daarom vlucht ik naar Facebook. Eigenlijk net als Petrus: uit angst voor mijn omgeving verval ik in oude patronen. Wat is het dán bevrijdend om te zeggen: ‘ja maar Mark, vergeet niet wie je bent! Die oude Mark, die hunkert naar bevestiging, die leeft niet meer. Christus leeft in jou! Je hoeft niet te vluchten, want je bent al lang geliefd!’
En dan gaat het nog steeds niet vanzelf, die nieuwe ik houdt concurrentie van de oude – kijk maar naar Petrus. Daarom kun je het jezelf niet vaak genoeg voorhouden: ‘ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ Zeg het maar hardop: ‘ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ Amen.
