Wie gelooft er eigenlijk nog? Is de kerk niet bezig een onafwendbaar faillissement uit te stellen? Ezechiël profeteert in een tijd die nog veel donkerder is over dat geen situatie voor God te hopeloos is.
Inleiding
Vandaag gaan we de nostalgische tour op met een heuse trip down memory lane – over de Gedempte Gracht. Beeld je in: we zijn terug in het jaar 2000. De Gedempte Gracht ziet er totaal anders uit. Wat direct opvalt, is dat er geen water doorheen stroomt. Maar waar ik het vandaag over wil hebben: je ziet allemaal winkels die niet meer bestaan. Scheer en Foppen, V&D, Blokker, Halfords – ze zijn allemaal failliet gegaan.
Dat geldt ook voor mijn favoriet: de Free Record Shop. Aan die winkel heb ik mooie herinneringen. In 2000 zat ik in de brugklas, en mijn school was op loopafstand van de binnenstad van Meppel. Als we een tussenuur hadden, dan mochten we daar naartoe! Tegenwoordig heb je dan een leesuur ofzo, maar wij mochten nog naar buiten – ik denk dat ze blij waren dat we dan de andere lessen niet verstoorden. Ik ging dan naar de Free Record Shop. Want daar stond een PlayStation opgesteld waar je de nieuwste games op kon proberen. En je had een bar waar je een koptelefoon kon opzetten om cd’s te proefluisteren. Want voor je een cd kocht, wilde je wel weten wat je ermee in huis haalde. Niet dat ik er ooit één kocht – dat vond ik geldverspilling. Wel nam ik altijd het krantje mee met de hitlijsten van die week. Thuis waren we net op het internet aangesloten, en hadden een cd-brander, dus mijn eerste cd’s heb ik gedownload via Napster. Het is niet voor niets dat de Free Record Shop failliet is gegaan…
Ik vertelde dit verhaal laatst aan onze kinderen, en die zaten me aan te kijken van ‘die vent komt van een andere planeet!’ Zo gaat dat met een faillissement: herinneringen aan een failliet bedrijf verdwijnen heel snel.
En vandaag lijkt het volk Israël datzelfde lot te ondergaan: het is failliet, het is afgelopen – of toch niet? Thema vandaag is ‘failliet?’, met een vraagteken. We lezen nu eerst Ezechiël 37:1-14.
1. Het failliet van Israël
In Ezechiël geen winkelketen die failliet is gegaan, maar een heel land: Israël. De gloriejaren voor Israël, de jaren waarin het elk jaar weer beter ging, die jaren liggen in een ver verleden – daarvoor moet je terug naar de tijd van de koningen David en Salomo. Dát waren nog eens tijden! Er was welvaart, er werd gebouwd, de prachtigste kunst werd gemaakt, er was vrede, stabiliteit en recht. Maar na Salomo ging het bergafwaarts. Het land scheurt in tweeën -daar hebben we het twee weken geleden over gehad- en raakt steeds verder in verval. Maar net als een winkelketen waar het niet zo goed mee gaat het faillissement vaak nog lang weet uit te stellen, zo weet Israël de tijd ook te rekken. Tot het jaar 597 voor Christus: dan is het echt over en uit. Het laatste restje van Israël is nu echt failliet.
In dat jaar vallen de Babyloniërs onder koning Nebukadnessar Jeruzalem binnen, breken de tempel tot de laatste steen af, na eerst de schatkamers te hebben geplunderd, -net als bij een faillissement van een bedrijf- en deporteren iedereen die ook maar enige betekenis heeft naar Babylonië. De Babylonische ballingschap is begonnen. Het is afgelopen met Israël: de tempel, het koningshuis, de cultuur, het land – voortaan is het van vroeger. Voor oude mensen zal de herinnering nog wel even blijven, maar de kinderen en nieuwe generaties zullen Israël slechts uit de geschiedenisboekjes kennen. Israël is failliet.
2. Failliet?
Onder de ballingen is ook onze profeet: Ezechiël. Hij krijgt een visioen dat in eerste instantie een heel dikke streep lijkt te zetten onder dat faillissement van Israël. Het is het meest lugubere visioen dat Ezechiël te zien krijgt: hij wordt erin meegenomen naar een ‘dal vol beenderen’, oftewel: een massagraf. Als er een beeld is dat zegt dat het definitief over is, dan is het wel dat van een massagraf! Waar Ezechiël ook kijkt, overal liggen botten. Ik zou kotsend wegrennen van deze afschuwelijke plek – maar Ezechiël moet het van God op zijn gemak bekijken. Van ver weg, van dichtbij, van alle kanten – en met de seconde voelt Ezechiël zich nog hopelozer dan hij al was.
‘Mensenkind.’ Ezechiël schrikt op. Zo noemt God hem steeds – ‘mensenkind’. ‘Mensenkind, deze botten zijn het volk van Israël.’ Ezechiël had al zo’n vermoeden. Het is natuurlijk niet heel complimenteus om met een massagraf te worden vergeleken, maar Ezechiël vermoedt dat de Israëlieten niet eens verontwaardigd zullen zijn. Dit is gewoon de realiteit – dit is wat er van Israël over is. Zo beklaagt Israël zichzelf: ‘onze botten zijn verdord, onze hoop vervlogen, onze levensdraad afgesneden’.
Daar zit meer achter dan dat ze in een vreemd land zijn. De Israëlieten zijn niet alleen hun land kwijt – ze zijn daarmee ook God kwijt. God, die plannen met Israël had. Plannen met de tempel, met het koningshuis – God zegen zou vanuit Israël de wereld over moeten gaan. Nu dat allemaal failliet is verklaard, heeft Israël geen enkele reden meer om te bestaan. God was hun bestaansrecht – en God heeft zich tegen hen gekeerd. En eerlijk is eerlijk: daar hadden ze het ook naar gemaakt.
De Israëlieten zijn God kwijt – hun levensdraad is afgesneden, hun geloof wordt vakkundig afgebroken. En daar ligt een parallel met nu. De kerk lijkt ook wel eens op zo’n winkelketen die het onvermijdelijke faillissement nog wil uitstellen. Ik bedoel, het is prachtig dat we als Zaankerk één zijn geworden, maar onze 3 voorlopers, de oude NGK, CGK en GKv, hadden ooit ieder zoveel leden als we nu samen hebben. Maar ook als je wél naar de kerk komt, kun je God kwijt zijn. Kun je zoveel vragen hebben, vragen die onze geseculariseerde wereld nu eenmaal oproept, dat je het zicht op God helemaal kwijt raakt. God voelt ver weg, heb je hem niet maar ingebeeld? Je gaat door een godsverduistering. We praten in de kerk graag over hoe geweldig het is om te geloven, dat we met het evangelie van Jezus goud in handen hebben, en ik gelóóf ook echt dat dat zo is – maar die andere kant is er ook, en daar hoeven we niet geheimzinnig over te doen: soms lijkt het gewoon alsof God verdwenen is, dan staan alle zekerheden ter discussie en sijpelt je geloof langzaam weg. Het kan voelen als het failliet van je geloof.
Maar Ezechiël ziet dit visioen niet, om er nog maar eens in te wrijven dat het over en uit is. Integendeel: Israël is God dan misschien kwijt, en wij kunnen God kwijt zijn – maar God is ons niet kwijt! Soms is er na een faillissement iemand die er nog wel wat in ziet, die door de weinig hoopgevende situatie heen kan kijken, die ziet wat het zou kunnen worden, en een doorstart wil maken met het failliete bedrijf. Zo iemand is God: hij kijkt door de doodse situatie heen, ziet zelfs in een massagraf nog potentie.
Als Ezechiël lang genoeg naar het horrordal heeft gekeken, moet hij van God het woord richten tot die botten. Nu is Ezechiël er wel aan gewend dat zijn publiek niet naar hem luistert, -vóór de ballingschap heeft hij de Israëlieten gewaarschuwd namens God, maar God had er al bij gezegd dat ze toch niet zouden luisteren- maar dit slaat alles: preken in een massagraf. Veel respons van zijn publiek heeft Ezechiël niet te verwachten… Maar de verzameling botten blijkt beter naar Ezechiël te luisteren dan de Israëlieten! Als Ezechiël gesproken heeft, hoort hij een zacht geruis, het wordt steeds harder, hij hoort een ratelend geluid dat hij niet kan thuisbrengen, en dan ziet hij dat de botten elkaar opzoeken, samen skeletten vormen, dat er spieren overheen groeien, en vlees, en huid. En dan ligt het dal… vol lijken… Want een mens is meer dan materie – pas als God zijn adem inblaast, kan de mens leven. Zo ging het bij de schepping van de mens, in Genesis 2. Zo gaat het nu weer: God blaast zijn adem in, en het dal barst van leven!
God zegt ermee: ‘geen situatie is voor mij te doods, geen faillissement te groot – ik zie wat het kan worden, wat het zál worden als ik spreek. Ben je me kwijt, voel je je doods? Weet dan dat ik uit de doodste botten weer overvloedig leven maak!’ Dat is allereerst bedoeld als bemoediging voor de Israëlieten in Babylonië: het is een belofte van terugkeer, van een nieuwe start, van dat God verder met ze gaat – en God heeft het gedaan!
Maar, net als die profetie van 2 weken geleden: je mag de belofte verder doortrekken. In Efeziërs 2 lijkt Paulus veel met Ezechiël 37 bezig te zijn. Paulus pakt daar de belofte van eenheid op, waar het in de 2e helft van Ezechiël 37 over gaat, maar ook de belofte van leven: ‘God heeft ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt.’ En met leven bedoelt Paulus precies hetzelfde als Ezechiël: leven is in relatie zijn met God, beseffen wie God is – God is de levensdraad.
Toch is de aarde sinds Jezus nog niet zó vol van leven als in de profetie van Ezechiël. Tot Jezus terug komt leef je als christen in een wereld waar je niet thuis bent, en waar het soms heel moeilijk is te blijven geloven. En tegelijk: als je goed kijkt, kun je overal sporen van nieuw leven zien. Sporen van dat God echt niet weg is! Zo kopte NH Nieuws 2 weken geleden: ‘kerken in Noord-Holland verrast door nieuwe generatie die zich bindt aan de kerk.’ En dat zijn niet alleen de hippe kerken, waar elke dienst een happening is – het gebeurt ook in ‘gewone’ kerken, zoals de Zaankerk. NH Nieuws zegt: ‘veruit de meeste kerken in de provincie herkennen en bevestigen het beeld dat hun kerk het afgelopen jaar meer jonge geïnteresseerden trekt.’ Mijn collega Leon van den Dool werd erover geïnterviewd, hij was tot een paar maanden geleden predikant in Hervormd Broek op Langedijk, inmiddels is hij dat bij Hoop voor Noord in Amsterdam, en hij zegt: ‘tien jaar geleden was er veel moedeloosheid, maar nu zie ik jongeren die het geloof oppakken op plekken waar je het totaal niet verwacht.’ Pastoor George, van de Bonifatiuskapel in Zaandam, heeft dezelfde ervaring. Zelfs onderzoekers van de VU zien een kleine trendbreuk. Ik zou zeggen: zie dat God een stukje van Ezechiël 37 voor onze ogen laat gebeuren!
En ik zou heel graag veel meer daarvan willen zien. Ik leef daar zelf ook weer helemaal van op! En dat is mooi – maar laat het wel aan God, besef dat het niet van ons komt, niet van mij komt, maar van God. Want wij, ik, wij zijn failliet, en overgeleverd aan iemand die nog wat in ons ziet. We hebben niets te eisen – we kunnen alleen maar hopen dat God iets doet.
Die bescheidenheid zie ik ook bij Ezechiël. ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Dat klinkt als een retorische vraagt: natuurlijk kan dat niet! Toch is dat niet wat Ezechiël antwoordt. Maar hij zegt hij ook niet: ‘natuurlijk God, u kunt toch alles, laat maar zien!’ In plaats daarvan laat Ezechiël het bij: ‘dat weet u alleen’. Niet omdat Ezechiël betwijfelt dat God het zou kunnen – maar omdat hij niet wil claimen wat God zou moeten doen.
En dat geldt voor ons als kerk ook. Kan dit een plek worden van nieuw geloof? Kan dit een plek zijn van waaruit Gods liefde de stad overvloedig instroomt? Kan dit een plek zijn die bloeit en groeit? Natuurlijk, God kan het, voor hem is niets onmogelijk, maar hij gaat erover, niet wij, en hij doet het op zijn manier en op zijn tijd. En hij weet wel wat wij verlangen en nodig hebben.
3. Zie je het al?
En dus sluit ik vandaag niet af met actieplannen om een faillissement van de kerk te voorkomen. Of God nieuw leven geeft, en hoe hij dat dan doet – dat is aan hem. Maar ik weet wel dat sinds Jezus uit de dood is opgestaan, er overal sporen van dat leven te vinden zijn, dat er overal nieuwe beginnen worden gemaakt, er signalen zijn van herstel, van leven, van God. Soms is het in het nieuws. Maar er zijn zoveel meer plekken waar je kunt zien dat God ons echt niet kwijt is, dat hij bezig is met nieuwe dingen – met léven. Zie jij het al? Amen.
