Lucas 15:11-32 | Niet te koop

Inleiding

‘Voor wat hoort wat.’ Het is het basisprincipe van onze economie. Als je iets wilt, moet je een tegenprestatie leveren. Meestal is dat geld. Je mag best iets uit een winkel meenemen, als je er maar voor betaalt. ‘Voor wat hoort wat.’

Dat geldt zelfs voor gratis dingen. Mag ik jullie voorstellen: dit is Bobbie Bloemkool. Bobbie is een van de Vitamini’s van de Lidl. En het mooiste: Bobbie was gratis! Nou ja, als je maar genoeg boodschappen bij de Lidl deed … Omdat onze kinderen de Vitamini’s erg leuk vinden, ze slapen er zelfs mee, hebben ze ons stevig gestimuleerd onze boodschappen bij de Lidl te halen. Ik heb zo het vermoeden dat de Lidl dat helemaal niet erg vond… Zij investeren, wat zal het zijn, anderhalve euro?, in een bloemkool met menselijke trekjes, uiteraard made in China, en in ruil geeft de familie Veurink honderden euro’s in hun supermarkt uit. ‘Voor wat hoort wat.’

Dat maakt het leven ook best ingewikkeld. Want als mensen iets voor je doen, zonder dat je ze ervoor betaalt, wat verwachten ze er dan voor terug? Of als vrienden een bos bloemen meenemen: moet jij dan de volgende keer ook bloemen meenemen? ‘Voor wat hoort wat.’

Ook God kun je op die manier behandelen. Je wilt iets van God en daarom doe je je best voor God. Het aantrekkelijke daarvan is dat je je lot in eigen hand hebt: als jij maar goed je best doet voor God, staat God bij je in het krijt. Minder aantrekkelijk is het als jij bij God in het krijt staat: die rekening kun je niet zomaar vereffenen. Veel mensen gaan, bewust of onbewust,  met God om volgens het principe ‘voor wat hoort wat.’ Maar zo is God helemaal niet! Hij is niet te koop –  dat is de belangrijkste boodschap die ik jullie vandaag mee mag geven. God is niet te koop! Jezus vertelt daarover een verhaal, laten we het lezen: Lucas 15:11-32.

1.   God in de uitverkoop?

Deze 40 dagen voor Pasen luisteren we in Menorah naar de verhalen die Jezus vertelt op weg naar Jeruzalem. Jezus loopt zijn dood letterlijk tegemoet: elke stap die hij zet brengt hem dichter bij het kruis. Onderweg vertelt Jezus veel verhalen, waaronder dit verhaal dat bekend is geworden als de ‘gelijkenis van de verloren zoon.’

Jezus vertelt dit verhaal allereerst aan de Farizeeën en schriftgeleerden. Volgens hen doet Jezus God in de uitverkoop. Nu houd ik zelf best van de uitverkoop, mijn dag is goed als ik een broek met 70% korting weet te scoren, maar God is te heilig om in de uitverkoop te doen!

Onderweg naar Jeruzalem trekt Jezus aan de lopende band mensen die het niet zo nauw met God nemen. Jezus is een magneet voor tollenaars, die corrupte belastingambtenaren die heulen met de vijand, voor dronkenlappen, voor hoeren, voor losbollen, en meer van dat soort zondaars. Wat de Farizeeën nog het meest verbijsterd: Jezus stuurt die zondaars niet weg, hij spreekt hen niet bestraffend toe, maar staat hen met open armen op te wachten en deelt hen mee dat hun zonden vergeven zijn. De Farizeeën vinden dat Jezus Gods goede naam te grabbel gooit.

Bovendien hebben zij zich altijd ingezet voor God. Zij zijn toch Gods vaste krachten, de mensen op wie God altijd kan rekenen? Wat hébben zij zichzelf een pleziertjes ontzegd – allemaal voor God. Wat hébben ze hun best gedaan het geloof zuiver te houden – allemaal voor God. Wat een uren hebben zij zitten in bijbelstudie en vrijwilligerswerk – allemaal voor God. Hebben zij dan niet meer recht op Jezus dan die zondaars die bij Jezus een aai over de bol ontvangen?

Ik snap die Farizeeën wel. Stel je voor dat Jezus vandaag in Nederland zou rondlopen. Wie zouden er dan het meeste recht op Jezus hebben? Dat zijn toch de christenen – Jezus’ grondpersoneel? Maar voor een interview schuift Jezus niet aan bij de EO, maar bij BNNVARA, niet bij Groot Nieuws Radio, maar bij Radio 538. Jezus zou de dienst in Menorah laten schieten om naar een paranormaal beurs te gaan, of het casino, of de Kamasutra-beurs. In plaats van de tieners van Menogwat te bezoeken, zou Jezus zich prima vermaken met de hangjongeren in Poelenburg. Jezus zou verschrikkelijk weinig tijd hebben voor de kerken, omdat hij het veel te druk zou hebben met het ontvangen van niet-christenen. Ik snap dat dit de Farizeeën irriteert.

Jezus hoort dat gemopper, en grijpt de kans aan om verhalen te vertellen – hij is nu eenmaal een meesterverteller! Jezus vertelt over een verloren schaap, een verloren muntstuk, en ons verhaal over een vader en zijn twee zonen. De jongste zoon is typisch zo’n zondaar waar de Farizeeën zich zo aan irriteren. Hij heeft het thuis, op de boerderij van vader, wel gezien – hij wil de wijde wereld in. Bij ons de normaalste zaak van de wereld, maar in die tijd heel ongebruikelijk. Bovendien vraagt hij zijn vader om een goed gevulde bankrekening – de wijde wereld is per slot van rekening niet gratis. ‘Papa, als jij dood bent, dan krijg ik toch een erfenis? Ik wou dat het alvast zo ver was! Kun je me nu mijn geld niet alvast geven?’ Geen vader die dat zou doen, maar deze vader wel: hij verkoopt een behoorlijk deel van zijn land, het deel dat bij zijn dood over zou gaan naar de jongste zoon, en geeft de opbrengst aan hem mee.

Zoonlief vertrekt, laat vader en broer ontredderd achter, en gaat een nieuw leven tegemoet, ver van huis. Van geld blijkt hij niet veel verstand te hebben: hij jaagt het er in mum van tijd doorheen. Al snel is het geld op, en onze grote levensgenieter eindigt tussen de varkens. Dieper kan een Jood niet zinken.

Tussen de varkens bedenkt hij: ‘als dit de wijde wereld is, was thuis zo gek nog niet.’ Zo gedacht, zo gedaan: meneer gaat terug naar huis. Zijn vader, eerder nog door hem dood gewenst, staat met open armen op zijn jochie te wachten.

Ontroerend mooi? Of is dit wel erg goedkoop? Op dit punt brengt Jezus de Farizeeën in. Er is nog een zoon, een verantwoordelijke man, op wie vader altijd een beroep mag doen, op wie vader trots kan zijn! Grote broer wil niets van zijn broertje weten: ‘meneer heeft eerst iedereen geschoffeerd, al zijn schepen achter zich verbrand, en nu komt hij met hangende pootjes terug?! En vader beloont dat joch nog ook met een groot feest? Terwijl ik dag aan dag kneiterhard gewerkt heb, maar er nooit een feestje voor terug heb gezien?! Vader gooit de familie-eer in de uitverkoop!’

2.   God is niet te koop

Het kan volgens mij niet anders dat als je ook maar een greintje rechtvaardigheidsgevoel in je hebt, dat je meevoelt met die grote broer. Maar Jezus niet: hij doorziet haarfijn hoe ‘oudste zonen’ van geloven een economisch systeem maken: ‘voor wat hoort wat’. Maar zo is God niet: hij is niet te koop!

Jezus vertelt verder. Vader laat zijn zoon eerst maar eens uitrazen. En dan volgt een prachtig antwoord: ‘mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.’ Voor de zoon is het een confronterend antwoord: vader heeft hem door… Hij had altijd  hard gewerkt, vader mocht altijd een beroep op hem doen, maar het ging hem nooit om vader: het ging hém ook om de erfenis. Hij is niet thuis gebleven omdat hij zo graag bij zijn vader wil zijn, maar om het vooruitzicht van een beloning.

De oudste zoon lijkt veel meer op zijn broertje dan hij wil toegeven. Hij is jaloers – en niet zo’n beetje ook. Zijn broertje heeft gedaan waar hij altijd van is blijven dromen. Hij heeft zich ingehouden, heeft nooit geld over de balk gesmeten, is nooit naar de hoeren gegaan, maar is daar nooit voor beloond. In zijn hart is hij al duizend keer zijn broertje achterna gegaan, maar zijn verantwoordelijkheidsgevoel hield hem tegen. Waarom eigenlijk? Nu wordt ‘papa’s kleine jochie’ er nog voor beloond ook!

Zijn vader kan hem gestolen worden! De enige reden dat hij nog thuis is, is de erfenis. Zijn broertje heeft zijn deel van de erfenis al gekregen, daar hoeft hij dus niet meer mee te delen. Dat betekent dat als de zaken van vader goed gaan, het allemaal voor hem is als vader dood gaat. Hij heeft net zo veel liefde voor zijn vader als jonge vrouwen die met bejaarde miljonairs trouwen: het gaat niet om liefde, het gaat om de centen. Hij ziet de erfenis al kleiner worden: dat feest voor zijn broertje wordt betaald van zijn erfenis. En straks haalt vader het nog in zijn hoofd zijn weggelopen zoon opnieuw erfgenaam te maken! Heeft hij daar nu zo hard voor gewerkt?!

Vader slaat de spijker op zijn kop: ‘mijn jongen, jij bent altijd bij me.’ Dat zou genoeg moeten zijn. Wat voor zoon ben je als je alleen maar bij je vader blijft, omdat je op die manier een zo groot mogelijke erfenis krijgt? De oudste doet alsof het een vervelende opgave is om elke dag met vader op te trekken, en alsof daar ook eens wat tegenover moet staan. Maar het mooiste laat hij liggen: elke dag is hij bij zijn vader!

Je kunt God behandelen zoals die oudste zoon zijn vader behandelt. Voor wat hoort wat… Je wilt je best voor God inzetten. Als God wil dat jij aan bepaalde dingen niet meedoet, dan dóe jij daar niet aan mee. Als er ergens vrijwilligers nodig zijn, ben jij van de partij. Je doet alles voor God – maar wat krijg je er voor terug?

Met zijn verhaal zegt Jezus: ‘je stelt de verkeerde vraag. Je doet alsof geloven economie is. Maar zo werkt het bij God niet. Liefde kun je toch niet kopen? Nou dan: God is ook niet te koop! Waar gaat het je eigenlijk om? Geloof je in God om de dingen die je van hem zou kunnen krijgen? Gaat het je om de centen? Of gaat het je om God zelf? Hij is je Vader, hij houdt zielsveel van je, en hij wil dat je ‘gewoon’ van hem houdt: niet om de dingen die hij geeft, maar om wie hij ís! En maak je geen zorgen: Gods liefde raakt niet op. Gods liefde voor jongste zonen gaat echt niet ten koste van liefde voor oudste zonen.

Sterker nog: in zekere zin zijn we allemaal jongste zonen. Weggelopen van huis, weggelopen van God: ‘God, we hoeven u niet, wat ons betreft bent u dood, maar we willen graag een erfenis van u mee: geef ons uw wereld, dan zijn wij van u af, en u van ons.’ En God gáf zijn wereld en we dáchten dat hij dood was. Maar zo makkelijk komen we niet van Vader af.

Deze Vader heeft namelijk nog een zoon. Hij is onze grote broer. Maar dan wel van een heel ander kaliber dan in dat verhaal. Deze broer is niet jaloers – omdat hij weet dat leven zonder de Vader geen leven is. Deze broer voelt zich op een  heel andere manier verantwoordelijk: niet voor zijn erfenis, maar voor zijn broertjes en zusjes. Daarom verlaat ook hij het huis van zijn Vader. Hij integreert in onze wereld, wordt een van ons. Overal gaat hij op zoek: in het casino, op de Kamasutra-beurs, en ja: ook in de kerk. Over zíjn erfenis maakt hij zich niet druk: geen prijs is te hoog om zijn broertjes en zusjes terug te brengen! Als hij ervoor moet sterven, dan loopt hij dapper zijn kruis tegemoet. Zijn naam is Jezus.

3.   Welkom thuis!

Het verhaal dat Jezus vertelt, heeft een open einde. Vader praat op zijn oudste zoon in, ook hij is welkom thuis, en daarmee is het afgelopen. Hoe zijn zoon reageert, of hij nog van gedachten verandert: daarover horen we niets. Gaat de oudste zoon zitten mokken in een hoekje, slaat hij de deur voor altijd achter zich dicht, of komt ook hij thuis, en gaat hij het feest meevieren? Het is aan jou!

Jezus nodigt je in ieder geval uit: kom, vier feest met ons! Wees toch niet jaloers – dat is nergens voor nodig! Wees niet zo iemand die zijn hele leven met een kostbare schat in huis leeft, maar niet ziet hoe rijk hij is. Maak van God geen econoom die jouw plussen en minnen bijhoudt en een bonus uitkeert als je het er een beetje goed vanaf brengt. Maak van hem niet iemand voor wie je hard moet werken, maar waar je dan ook iets van terug mag verwachten. Nee: hij is je Vader, bij hem ben je thuis, bij hem kom je tot leven!  Die schat is niet te koop, Gód is niet te koop, maar hij geeft zichzelf aan jou. Maak van geloven geen economie, maar geniet van God zelf. Dát is pas leven! Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: