Cadeautjes zijn geen vervanging voor liefde. Dat geldt voor God ook: hij wil niet jouw cadeautjes – hij wil je hart!
Inleiding
December is de cadeautjesmaand bij uitstek. Na de Sinterklaascadeaus komen de kerstpakketten. Ik vind het altijd weer een feestje om zo’n pakket uit te pakken. Het zit vol verrassingen, vaak dingen die je zelf nooit zou kopen, maar die wel heel erg lekker zijn. Pure verwennerij dus.
Maar een kerstpakket is meer dan de inhoud: er zit ook altijd een gever achter. Voor het gemak gaan we er even van uit dat het je baas is. Stel, je hebt een goede verhouding met je baas. Jullie gaan op een fijne manier met elkaar om, hij ziet jou staan, denkt met je mee, geeft je ruimte en zegt het niet alleen als iets beter moet, maar geeft je nog veel vaker een complimentje. Dan voelt zo’n kerstpakket als een extra blijk van waardering.
Maar stel, de verhouding met je baas is niet zo goed. Meestal ziet hij je niet eens staan, en ziet hij je wel, dan wordt je direct afgesnauwd. Hij is zo flexibel als gewapend beton en jouw persoonlijke omstandigheden zullen hem een zorg zijn. De beste werkdagen zijn die dagen dat je baas weg is… Dan kan een kerstpakket nog zo mooi zijn, maar het voelt niet als een blijk van waardering. Eerder alsof hij probeert jouw loyaliteit te kopen. Helemaal als er na dat kerstpakket niets verandert, hij dezelfde baas blijft als daarvoor. Dan denk je: ‘rot op met je kerstpakket, ik hoef je cadeautjes niet, wordt liever een betere baas.’
Hoe mooi cadeautjes ook zijn, ze kunnen nooit een vervanging zijn voor liefde. Dat geldt bij God ook: hij wil niet jouw cadeautjes – hij wil jouw hart! Daarover gaat het in Micha 6:1-8. We gaan het lezen – vanuit het thema ‘hart voor God’.
1. Religie zonder hart
In de tijd van Micha, de tijd van Israëls koningen, stelt de godsdienst van Israël niet zoveel voor: het is een religie zonder hart, een cadeautjesgodsdienst. Er wordt heel wat aan God geofferd, God krijgt heel wat cadeaus, maar het zijn cadeaus om af te kopen dat de Israëlieten geen hart voor God hebben.
De offers van de Israëlieten zijn bedoeld om God tevreden te stellen. Ze geloven dat God hen beschermt, dus God kun je maar beter tevreden stellen. Geef hem een kerstpakket, en je houdt hem te vriend – lijken de Israëlieten te denken.
Ondertussen is van liefde voor God weinig te merken. Met hetzelfde gemak geven de Israëlieten kerstpakketten aan elke god die ze maar kunnen bedenken. Het kan nooit kwaad ook de andere goden te vriend te houden… Maar God wil de aandacht niet delen met andere goden: hij alleen is onze aanbidding waard!
Bovendien trekken de Israëlieten zich weinig aan van hoe God graag wil dat ze leven. God wil dat Israël een eerlijk land is, een land waar wordt omgezien naar de zwakkeren, een land zonder corruptie en machtsmisbruik. Maar Micha is juist de profeet die al deze dingen aan de orde stelt: Israël is een corrupte bende geworden, vriendjespolitiek is aan de orde van de dag, de zwakkeren worden uitgebuit, en huisjesmelkers en flitskapitalisten wordt geen strobreed in de weg gelegd.
Oftewel: al die offers die aan God gebracht worden, zijn een leeg systeem, een religie zonder hart. Ze worden niet uit liefde voor God gebracht, maar omdat het geen kwaad kan God aan je kant te hebben.
Op zo’n manier wordt geloven een verplicht nummertje. Je doet je religieuze verplichtingen, je geeft God cadeautjes, de dingen waarvan jij het gevoel hebt dat God ze graag wil, -in onze tijd zijn dat natuurlijk andere dingen dan de offers van toen- en in ruil moet God jou een mooi leven geven. Je doet het met frisse tegenzin, en gaat daarna snel over tot de orde van de dag. Met liefde voor God heeft het weinig te maken.
Ik denk dat elke christen hier wel eens last van heeft. Uit gewoonte of plichtsbesef doe je je religieuze dingetjes, maar als je daar klaar mee bent, is God ook al snel weer verdwenen. Je gelooft in God, maar dat is één van de vele dingen in je leven. Na je ochtendgebed denk je: ‘dat hebben we ook maar mooi weer gehad, laat de dag nu maar echt beginnen.’ Je geniet niet van God, je hebt geen plezier in geloven, voor jouw gevoel staat het los van je gewone dagelijkse leven, maar ondertussen wil God wel van alles van je…
2. Hart voor God
In zo’n situatie profeteert Micha die woorden uit Micha 6. Even in mijn eigen woorden: ‘God wil niet dat jullie met je verplichte nummertjes bij hem aan komen zetten. God wil geen geloof als kaal systeem. Hij wil juist liefde – hij wil je hart: dat je van hem geniet en voor hem leeft.’
God wil jouw liefde – en die liefde is wederzijds. Daar begint Micha 6 mee: God houdt zielsveel van zijn volk, maar die liefde komt van één kant: de Israëlieten houden niet van God. Dan laat Micha zien dat Gods hart daardoor gekwetst is.
Het begint met een soort rechtszaak. De aanklager is God, Micha is zijn advocaat, Israël is de gedaagde, en de bergen zijn de getuigen. Dat klinkt misschien raar: wat hebben die bergen ermee te maken?! Waarschijnlijk dit: die bergen zijn als de Zaan – ze zijn er altijd al geweest. Ze hebben elk hoofdstuk uit Gods weg met Israël meegemaakt. Ze zijn getuige geweest van al die keren dat Israël van het padje raakte en God vergat. Ze zijn ook getuige geweest van hoe God hen keer op keer te hulp kwam. De bergen kunnen bevestigen hoe groot Gods hart voor zijn volk is.
Juist daarom is God zo gekwetst. Hij heeft al zijn liefde in de Israëlieten gestopt, maar die liefde wordt niet beantwoord. Vers 3 is heel sprekend: ‘mijn volk, wat heb ik je misdaan? Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij!’ Hier spreekt Gods hart. Hij snapt het gewoon niet: ‘Waarom? Waarom rennen jullie van me weg? Waarom luisteren jullie niet naar mij? Mijn woorden zijn leven – dat weten jullie toch?’ God is oprecht verbijsterd: er is geen enkele reden om je van God af te keren.
Dat brengt God dan ook in herinnering: ‘jullie weten toch dat ik van jullie houd? Dat ben je toch niet vergeten?! Ik heb jullie bevrijd uit Egypte – of zijn jullie dat soms vergeten? Ik liet jullie het beloofde land innemen – laat me raden: ook al vergeten… Ik was er – ik ben er, voor jullie! Hoe kun je dat vergeten?!’ Het mooiste wat de Israëlieten kunnen krijgen, Gods liefde, God zélf, dat wijzen ze af, alsof het een energieverkoper aan de deur is: ‘nee, geen belangstelling.’ Au!
Maar het wordt nog pijnlijker: de Israëlieten denken dat ze hun gebrek aan liefde kunnen afkopen. ‘Hier God, uw kerstpakket – en verder niet zeuren. U bent ook niet snel tevreden, hè?’ Want daar komt de verdedigingsrede in vers 6 en 7 op neer. ‘Het is ook nooit goed! We offeren ons al een slag in de rondte, maar nog bent u niet tevreden. Wat moeten we u dan geven?’ De overdrijving wordt steeds groter: duizenden rammen – er is geen mens die dat heeft, olie van tienduizend beken – zoveel brengt het land in 10 jaar nog niet op, of zelfs je oudste kind – je waardevolste bezit. Sorry voor alle jongsten en middelsten: in die tijd was de oudste alles… Voordeel is dan wel weer dat je als middelste of jongste geen risico liep geofferd te worden. En dat gebeurde in die tijd wel, ook in Israël: koning Achaz verbrandde zijn zonen als offer – je kunt het nalezen in 2 Kronieken 28.
Dit is van den zotte. De Israëlieten beschuldigen God ervan een ‘rupsje nooitgenoeg’ te zijn, en komen met voorstellen die God afschuwelijk vindt: God haat mensenoffers – hij offert nog liever zichzelf. Bovendien: het gaat er niet om dat God nog meer cadeaus wil. Die cadeaus kunnen God gestolen worden: hij wil liefde! De Israëlieten behandelen God zoals alle volken hun goden behandelden: geef ze genoeg snoep, dan hebben ze niets meer te zeuren. Maar liefde is niet af te kopen! Liefde moet je gewoon doen – en dat is precies het probleem: de Israëlieten praten veel over hun offers, maar laten hun eigen wangedrag voor het gemak maar even buiten beschouwing. Veel later verzucht Jezus hetzelfde – in Matteüs 23: ‘Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw.’
De Israëlieten voeren het als verdediging aan: ‘laat God dan zeggen wat hij van ons wil!’ Maar met hun reactie leggen ze zelf al de vinger bij de zere plek: ze maken van God een god die met een kerstpakket tevreden gehouden kan worden. Maar God is geen god die als je er een euro in gooit, zijn trucje doet! De Israëlieten geven hun cadeaus aan God, zodat ze er zelf iets voor terugkrijgen – en daarmee draait het uiteindelijk om henzelf. God moet hen maar tegemoet komen… God wil juist dat het om hem draait. Niet: ‘God moet mij iets geven’, maar: ‘ik wil mijzelf aan God geven.’
In die lijn gaat Micha verder, in vers 8, over de mens naar Gods hart: ‘er is jou, mens, gezegd wat goed is.’ Oftewel: ‘jullie doen alsof jullie het niet weten, alsof God niet duidelijk is over wat hij wil – maar jullie vragen naar de bekende weg!’ En inderdaad: wat volgt is niet wereldschokkend als je de bijbel een beetje kent. Het staat bijvoorbeeld in Deuteronomium 10: ‘Israël, bedenk dus dat de Heer, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u ontzag voor hem toont, dat u de weg volgt die hij u wijst, dat u hem liefhebt, hem met hart en ziel dient en zijn geboden en wetten naleeft.’ Zo simpel is het! In de woorden van Micha: ‘je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.’
Dus nee: God hoeft geen grootse offers die altijd groter kunnen, hij heeft het niet eens over godsdienstige dingen. God wil dat je in gewone dingen hem dient, in heel je leven. En dat is niet groot en spectaculair, zoals die offers. Nee, doe maar gewoon goed, doe recht, wees trouw en nederig, en ga je levensweg met God. God wil gewoon liefde – dat is toch niet teveel gevraagd?
Het gaat om je hart. Dus als wij zeggen: ‘oke, dit wil God dus, we zetten de schouders eronder, gaan vanaf nu ons stinkende best doen, en dan kan God tevreden met ons zijn’, dan missen we het punt. Het begint met je hart, met liefde voor God.
Daarmee heeft het ook alles met advent te maken. Advent gaat erover dat Jezus komt. Hij kwam als baby van Maria en Jozef, en zal op een dag hij terugkomen, maar hij wil ook nú in jouw hart komen. Hij, dé mens naar Gods hart, die niets anders dan recht doet, die trouw betracht, en de weg van zijn Vader gaat, hij nodigt je uit: ‘zie je dat ik alles voor jou overheb? Open je hart dan voor me en geniet van mij.’
3. Niet vergeten!
God wil niet dat we hem omkopen om dingen van hem gedaan te krijgen – God wil zichzelf aan ons geven en wil dat wij van hem genieten. En dat is veel leuker dan voldoen aan religieuze verplichtingen! Dus vergeet het niet: God wil je hart!
Maar hoe werkt dat dan? Liefde kun je niet dwingen. Hoe wordt geloven iets van je hart? Hoe ga je van God houden, van God genieten?
Ik denk dat God het antwoord al geeft: ‘ben je het vergeten?’ Wij, mensen, zijn inderdaad vrij kort van geheugen. Ik vergeet van alles… En voor je het doorhebt, vergeet je hoe mooi God is, vergeet je wat God voor je heeft gedaan en doet, vergeet je dat Jezus alles heeft gegeven om jou voor zich te winnen.
En wat moet je doen als je dingen vergeet? Precies: dan moet je herinneringen maken. Je schrijft iets op een briefje, je hangt foto’s op, enzovoort. Maak dus ook herinneringen aan Gods liefde, aan zijn hart voor jou. Hang kaartjes met bijbelteksten op in huis, zet op je telefoon een wallpaper die je herinnert aan Gods liefde, abonneer je op een bijbelse dagtekst of een christelijke podcast, of zorg gewoon voor een vast ritme in bijbellezen. Maak herinneringen! Zorg dat er geen dag voorbijgaat waarop je God niet de kans geeft te zeggen hoe groot zijn liefde is.
En, nu wordt het even ingewikkeld: die herinneringen moeten natuurlijk niet een nieuwe verplichting worden, niet een nieuw kaal systeem. Zodra dat gebeurt: stop ermee en zoek nieuwe manieren die je hart wel bereiken. Want daar gaat het om: laat je steeds weer raken door God. Verbaas je steeds weer over zijn liefde en trouw. En word zo, in Jezus’ spoor, mens naar Gods hart. Amen.
