Wat heeft geloven met eten te maken? In het christelijk geloof draait het uit op een feestmaal!
Inleiding
Vandaag bouwen we een feestje. Komende woensdag is het ‘dankdag voor gewas en arbeid’, een dag om stil te staan bij wat je allemaal van God krijgt, en in Menorah vieren we dat vandaag al. Bovendien houden we vandaag een kerkproeverij: we willen je graag een indruk geven van hoe wij kerk zijn. Aangezien je een reden om feest te vieren altijd met beide handen moet aangrijpen, vieren we vandaag dubbel feest.
Maar hoe bouw je nu eigenlijk een feestje? Bij een feestje horen in ieder geval slingers, dus die heb ik meegenomen om het hier wat op te vrolijken.
Slingers dus. Wat nog meer? Wat is onmisbaar voor een feest? Zeg het maar! Wie weet er iets waarvan je zegt: ‘dat mag echt niet ontbreken op een feest!’ Kom maar door!
Als je die vraag, hoe je een feestje bouwt, aan een willekeurige bijbelschrijver zou stellen, dan denk dat je als antwoord zou krijgen: ‘eten – zonder eten is het geen feest.’ Op Joodse feesten wordt altijd gegeten. Koffie met taart mag nog geen feest heten dat is pas het begin. Bij de maaltijd barst het feest pas echt los.
Ik wil het vandaag met jullie hebben over eten. Deze weken zijn we hier in Menorah bezig met het thema ‘dagelijks geloven’. Omdat het wel eens lijkt alsof geloof en je dagelijks leven twee totaal verschillende werelden zijn. De afgelopen weken hebben we het al gehad over opstaan, werken en ontspannen. Na vandaag komen liefhebben en slapen aan de beurt. En vandaag eten.
Jezus is altijd in voor een maaltijd. Daar krijgt hij zelfs commentaar op. Dat staat in Lucas 7:34: ‘kijk, wat een veelvraat, wat een dronkaard.’ De grondlegger van het christelijk geloof stond erom bekend dat hij genoot van een goede maaltijd. Vooral in het evangelie dat Lucas heeft opgeschreven, gaat Jezus van maaltijd naar maaltijd. Is hij niet aan het eten, dan heeft hij net gegeten of gaat hij bijna eten. Vandaag wil ik jullie meenemen naar een van die maaltijden. Laten we het in de bijbel lezen: Lucas 9:10-17.
1. Wie Jezus is
Dit bijbelverhaal lijkt een verhaal over hoe Jezus door zijn bovennatuurlijke krachten onze problemen oplost. In die dagen is Jezus op het hoogtepunt van zijn populariteit. De Maurice de Hond van Israël zou met grafiekjes laten zien dat je Jezus nu toch echt in de gaten moet houden. De mensen volgen Jezus overal naartoe, ook al heeft Jezus behoefte aan rust. Maar als Jezus de mensen ziet kan hij het niet over zijn hart verkrijgen hen weg te sturen. Al snel spreekt Jezus over Gods koninkrijk en geneest hij de zieken. Als Jezus bezig is, gaat de tijd snel. Zo snel dat het eten in gevaar komt. Er is veel te weinig eten meegebracht, en in de wijde omgeving is niets te krijgen. Gelukkig lost Jezus het probleem op: hij tovert er brood bij. Probleem opgelost.
Maar dit verhaal gáát niet over Jezus die onze problemen oplost. Dit verhaal gaat over wie Jezus ís. Dat ontdek je als je iets verder uitzoomt. Wij zijn net begonnen bij Lucas 9:10, maar je kunt ook eerder beginnen. Dan lees je over koning Herodes. Herodes kent de peilingen natuurlijk ook, en wil toch wel eens weten: ‘wie is die Jezus toch eigenlijk?’ Is Jezus misschien een reïncarnatie van Johannes de Doper? Dat wordt wel beweerd, maar Herodes wil er niet aan. Hij persoonlijk heeft opdracht gegeven Johannes te onthoofden, en in reïncarnaties gelooft Herodes niet. Dat Jezus eigenlijk Elia is of een van de andere profeten wil er om diezelfde reden bij Herodes niet in. Maar wie is Jezus dan wel?
Het grappige is dat het direct na ons bijbelverhaal wéér gaat over die vraag: wie is Jezus? Of eigenlijk is grappig helemaal niet het goede woord: Lucas heeft bewust die vraag als een soort fotolijst om ons bijbelverhaal heen gezet. Voor het verhaal vraagt Herodes het zich af, ná het verhaal vraagt Jezus het aan zijn leerlingen. En weer komen die opties voorbij: Johannes de Doper, Elia of een andere profeet.
Maar nu wordt de vraag ook beantwoord! Voor Herodes bleef het een vraag – hij zou die Jezus die hij uit de kranten kent graag eens ontmoeten. Maar Petrus geeft Jezus antwoord: ‘u bent de door God gezonden messias.’ Het is de eerste keer dat Jezus deze erkenning krijgt.
Dus: vóór ons verhaal is het een vraag, ná ons verhaal is er een antwoord. Blijkbaar kun je na dit verhaal, over Jezus die 5000 mensen te eten geeft, antwoord geven op de vraag wie Jezus is! Het is dus niet zomaar een verhaal over een mooi wonder. Niet een verhaal over Jezus die onze problemen wel even oplost. Dit verhaal gaat over wie Jezus is!
2. Een royaal feestmaal
Met dat in het achterhoofd gaan we terug naar ons bijbelverhaal. Dit is meer dan een verhaal over eten: hier kun je ontdekken wie Jezus is!
Dat doet Jezus niet met zomaar een snelle hap, Jezus is de gastheer bij een royaal feestmaal. Broden en vissen, dat klinkt misschien niet zo indrukwekkend, het was het populairste gerecht van elke snackbar, een beetje wat patat met frikadel voor ons is. Maar vergis je niet: dit is geen simpele picknick in de heuvels van Israël, waar het niet uitmaakt hoe het eten smaakt, als het maar vult.
Nee, deze maaltijd kun je beter vergelijken met een staatsbanket. Vorige week waren onze koning en koningin op staatsbezoek in het Verenigd Koninkrijk. Onderdeel van dat staatbezoek is het staatsbanket. Alles wordt uit de kast getrokken om de deelnemers aan de maaltijd een smaaksensatie te geven die ze zich nog lang zullen herinneren. Trouwens, zo’n staatsbanket gaat natuurlijk niet alleen over eten, maar ook over goede gesprekken met je tafelgenoten.
In ons bijbelverhaal staan verschillende aanwijzingen dat je deze maaltijd moet zien als zo’n banket. Allereerst worden de mensen in groepen van 50 bij elkaar gezet. Voor een snelle snackbarhap is dat niet nodig: dan zouden ze bij Jezus hun portie kunnen halen en het al lopend kunnen opeten. Maar Jezus zorgt voor een tafelschikking.
Tweede aanwijzing is dat de gasten niet zomaar moeten gaan zitten. Zo staat het wel in de bijbelvertaling die we lazen, maar het is nog veel mooier: ze moeten aanliggen. Bij een doorsnee maaltijd zit je aan tafel, maar als het feest is, als er extra werk van het eten gemaakt is, en als je de tijd wilt nemen voor de maaltijd, dán lig je aan tafel. Nu zijn er helaas geen tafels beschikbaar, maar toch moeten de mensen gaan aanliggen. Deze maaltijd is meer dan je op het eerste gezicht zou denken.
De laatste aanwijzing: er is meer dan genoeg. Het is niet krap aan. Niet zo’n bruiloft waar je tussen diner en kerkdienst nog even door de McDrive gaat… Om daar in de file te staan met de andere bruiloftsgasten… Maar hier zijn de mensen verzadigd: ze hebben ervan genoten en het was genoeg. Er is zelfs over.
Die overvloed kom je in de bijbel vaker tegen. Bij God aan tafel is er altijd genoeg. Bijvoorbeeld Psalm 23 – we gaan er zo ook uit zingen: ‘u nodigt mij aan tafel (…) mijn beker vloeit over.’ Nog mooier staat het in Jesaja 25:6: ‘Op deze berg richt de Heer van de hemelse machten voor alle volken een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen.’ In ons bijbelverhaal kun je iets proeven van dat hemelse banket!
Maar wat zegt dat dan over Jezus? Ik denk dit: in de buurt van Jezus wordt alles nieuw. In de buurt van Jezus genezen mensen. In de buurt van Jezus krijgen mensen weer een twinkeling in hun ogen. In de buurt van Jezus veranderen 5 broden en 2 visjes in een maaltijd waar zelfs Queen Elisabeth van onder de indruk zou zijn. Bij Jezus wordt iets zichtbaar van waar tot nog toe alleen profeten in hun vergezichten over hadden gesproken: de komst van een nieuwe wereld. Maar Jezus praat er niet over. Bij hem begínt het! Jezus kondigt niet aan dat ooit alles nieuw wordt, maar zegt: ‘hier ben ik!’ Niet dat alles van het ene op het andere moment nieuw is -Jezus heeft het zeker óók over de toekomst- maar in de buurt van Jezus wordt die toekomst al tastbaar. Daarom weet Petrus het: ‘u bent de messias!’
Zodra Petrus dat zegt, slaat de sfeer ook om. Jezus begint te praten over dat hij gedood zal worden. Want Jezus weet: je komt niet zomaar op dat feestmaal. Iemand moet zijn portemonnee trekken – er moet betaald worden. Om aan het hemelse banket te kunnen plaatsnemen, moet er een hoop rommel tussen ons en de Vader worden weggeruimd. Wat Jezus in Lucas 9 met het eten doet -hij neemt, spreekt, breekt en geeft- krijgt bij een andere maaltijd een echo. Dat is in Lucas 22, waar Jezus een brood neemt, een dankgebed uitspreekt, het brood breekt en geeft: dezelfde woorden. Jezus zegt erbij: ‘dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw om mij te gedenken.’
Petrus heeft gelijk: Jezus is de messias, door wie alles nieuw wordt. Maar om die messias te zijn, moet hij ook de rekening betalen: zodat wij bij de Vader aan tafel kunnen zitten.
3. Onze maaltijden
Even terug naar ons thema ‘eten’. Als in de buurt van Jezus alles nieuw wordt, en als dat juist bij die wonderlijke maaltijd duidelijk wordt, dan veranderen in de buurt van Jezus ook onze maaltijden. Als jij meer van die Jezus wilt weten en bij hem in de buurt blijft, dan verandert dat hele gewone dingen zoals eten.
In de buurt van Jezus is eten een geschenk. Dat is ook waarom die dankdag elk jaar terug komt: elke dag is er eten, en je gaat dat al snel gewoon vinden, maar het is niet gewoon – eten is een cadeau. In de samenleving kom je heel andere, en vaak ook tegenstrijdige, manieren tegen om naar eten te kijken.
Bijvoorbeeld: eten als brandstof. Je moet nu eenmaal eten, anders val je om, maar er mag zo min mogelijk tijd mee verloren gaan. Dus bestel je een kapsalon, of iets anders dat vult maar eigenlijk niet lekker is, en eet het voor de tv op. Als dat Gods bedoeling was geweest had hij ons wel astronautenvoedsel gegeven: bevat alle voedingsstoffen die je nodig hebt, maar is geen feest om te eten. In plaats daarvan gaf God een enorme variatie aan smaken.
Voedsel is veel meer dan brandstof. Aan de andere kant –en dat is het tegenstrijdige- kan voedsel ook zomaar een religie worden. Dat je alles doet voor gezond eten of lekker eten. Kookboeken doen het goed, net als blogs met recepten. De een weert alle e-nummers van zijn bord, terwijl voor de ander de maaltijd niet compleet is zonder vlees en wijn. We aanbidden voedsel.
Maar bij Jezus is voedsel een geschenk, niet meer, maar ook niet minder. Een geschenk om blij mee te zijn en van te genieten. Een geschenk om ook goed mee om te gaan. De kliekjes van Jezus’ feestmaaltijd worden daarom ook niet weggegooid: daar kunnen Jezus’ leerlingen de komende dagen nog van eten.
In de buurt van Jezus is eten ook een voorproef. Die wonderlijk maaltijd van Jezus verwijst naar een hemels banket. Ook onze maaltijden mogen iets van die verwachting ademen! Natuurlijk, niet voor elke maaltijd trek je alles uit de kast. Maar als maaltijden zo belangrijk zijn voor Jezus als manier om te vertellen wie hij is en over de nieuwe wereld die komt, dan mogen wij in dat spoor verder gaan. Samen eten is in de kerk vaak bijzaak – en dat is jammer! Want als we samen eten en ieder bij onze maaltijden welkom is, dan wordt daarin iets van Gods koninkrijk tastbaar!
Daarom ben ik zo blij dat we straks gebak bij de koffie hebben. Dat mag echt niet ontbreken op een feest! Ik vrees dat we niet 12 bakken met taart overhouden -gelukkig is McDrive dichtbij- maar geniet zometeen van gebak en van de gesprekken bij de koffie als voorproefje van het hemelse feestmaal! Amen.
