Lucas 7:36-50 | Aan tafel! Zondaars als voorbeeld

Inleiding

Vandaag hebben we een themazondag over gevangenen. Wat voor beeld heb jij eigenlijk van gevangenen? Misschien wel dat gevangenen, en ex-gevangenen, slechte mensen zijn, ik bedoel: ze wonen niet voor niets daar in Westzaan. Eh, ik bedoel natuurlijk het Justitieel Complex, ik wil niet suggereren dat alle Westzaners slechte mensen zijn. Maar zo’n dienst over gevangenen, kan de suggestie wekken dat we het vandaag over grote zondaars hebben, en we er vandaag zelfs 1 in ons midden hebben – oehh.

Dan wil ik graag je beeld van gevangenen en ex-gevangenen bijstellen. Een paar weken geleden vertelde ik al iets over D, die ik in mijn vorige woonplaats, Franeker, heb leren kennen. Van een afstandje gezien zou je zeggen dat hij een slecht mens was: iemand die zo een vergelijkingswebsite zou kunnen starten over hoe het leven in verschillende gevangenissen is… Toen ik hem leerde kennen  had hij een gebiedsverbod voor verschillende supermarkten, omdat hij zijn boodschappen liever niet afrekende. Maar toen ik hem beter leerde kennen, zag ik hem worstelen met zijn leven en zijn keuzes. Een wijze vriend merkte op dat de strijd tussen goed en kwaad, die iedereen heeft, bij D gewoon wat meer aan de oppervlakte kwam.

Dat vind ik een mooie les: gevangenen zijn niet ‘heel slechte mensen’, maar mensen bij wie de strijd tussen goed en kwaad wat meer aan de oppervlakte is gekomen dan bij keurige mensen. Het verschil tussen hen en mij, is niet dat zij slechte mensen zijn en ik goed, maar dat zij de schijn niet langer konden ophouden, dat hun donkere kant zichtbaar is geworden voor iedereen, en dat ze daarmee misschien ook wel meer hebben gevoeld wat genade is. Kortom: gevangenen houden ons een spiegel voor, zondaars kunnen zelfs een voorbeeld zijn. Laten we lezen: Lucas 7:36-50.

1.   Jezus’ tafelgenoten

Afgelopen weken hebben we al verschillende verhalen gelezen over Jezus die met anderen eet – in de levensbeschrijving van Jezus door Lucas treffen we Jezus regelmatig aan tafel aan. En dat geeft hem geen al te beste reputatie bij de keurige mensen van toen: de Farizeeën. Direct voor het gedeelte dat we net lazen, vat Jezus zelf zijn reputatie voor ons samen: ‘kijk, wat een veelvraat, wat een dronkaard,  die vriend van tollenaars en zondaars.’

Probleem 1: Jezus eet. Op zich valt daar moeilijk aan te ontkomen als je mens bent, maar als je in de religieuze kringen van toen een beetje wilde meetellen, koos je voor een sober voedingspatroon, en wijdde je 2 dagen in de week aan vasten en gebed. Jezus niet: als je hem zocht, kon je het beste vragen waar het feest was, grote kans dat je Jezus er zou aantreffen.

Probleem 2: Jezus eet met de verkeerde mensen. Met tollenaars, met zondaars, en ongetwijfeld met voormalig gedetineerden. Dan zeg je misschien: ‘nou en?’ Maar met iemand eten is niet neutraal: het is een statement, waarmee Jezus zich aan de verkeerde mensen verbindt. Alsof God van slechte mensen houdt…

‘Kijk wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.’ Lekkere reputatie heeft Jezus opgebouwd! Je zou denken: het wordt tijd voor Jezus om in te binden, om verdere imagoschade te voorkomen, en te bewijzen dat hij echt wel recht in de leer is. Je voelt hem al aankomen: Jezus doet het tegenovergestelde. Vandaag zit hij weer aan tafel,  en bevestigt hij maar weer dat hij een vriend van zondaars is.

2.   Spiegel van genade

Het verhaal speelt zich af in het huis van een Farizeeër, ene Simon. Ik kwam ergens tegen dat deze Simon  een soort ‘verzamelaar van beroemdheden’ moet zijn geweest: zo iemand die een selfie maakt met alle belangrijke mensen die hij ontmoet, en daar vervolgens mee loopt te pronken. Voor Simon is Jezus een soort trofee: een mooie aanwinst in zijn collectie interessante mensen. Hij staat niet vijandig tegenover Jezus, maar Jezus moet ook niet te dichtbij komen.

Simon heeft zijn zaakjes goed voor elkaar: hij woont in een van de betere huizen van de stad. De eetkamer grensde aan een binnenplaats, waar iedereen zo in en uit kon lopen. Ze hadden nog niet de privacywetgeving van tegenwoordig, het hele concept ‘privé’ was onbekend, dus als je een interessante gast had, verzamelden zich op de binnenplaats vaak mensen die het gesprek tussen gast en gastheer wilden volgen: daar konden ze nog wat van opsteken.

Dat zíj opeens bij Jezus aan tafel staat, is dus niet zo gek. Net als Jezus had zij een reputatie opgebouwd: zij was een zondares – dat wist iedereen. De eerste vraag die je dan stelt, is: ‘wat heeft ze dan gedaan?’ Zo nieuwsgierig zijn we namelijk ook wel weer. Het meest gegeven antwoord is dat deze vrouw een prostituee is, maar Lucas laat het in het midden: ze is een zondares. Door het zo algemeen te laten, is het misschien ook wel wat makkelijker om ons met deze vrouw te identificeren.

Laten we dat eens proberen. Beeld je eens in: jij bent deze vrouw. Je hebt domme keuzes gemaakt in je leven, al had een ander in jouw omstandigheden misschien wel dezelfde domme keuzes gemaakt. Maar toch: je hebt fouten gemaakt. En stel je eens voor: iedereen weet er vanaf, niets van jouw donkere kant is geheim, en iedereen heeft een mening over je. Alsof van al jouw dromen en gedachten, inclusief die dromen die je het liefst zou vergeten omdat je je er zo voor schaamt, een bioscoopfilm wordt gemaakt die iedereen in de stad ziet. Alles over jou ligt op straat, je kunt de schijn niet meer hoog houden: jij bent ontmaskerd als slecht mens. Net als met een gevangenisstraf: iedereen weet dat jij iets slechts gedaan hebt.

Je bent nog steeds die vrouw. Je hebt gehoord dat Jezus in de stad is en kent zijn reputatie. Zou het echt zo zijn? Zou Jezus zich niet direct van haar distantiëren? Zou in zijn ogen iets anders te zien zijn dan oordeel en minachting? Je hebt niets te verliezen, dus je voegt je bij de mensen op de binnenplaats. Je hoort ze praten, Simon en Jezus, en elk woord dat Jezus zegt, drink je in. Je schaamt je voor alle mensen hier, verstopt je een beetje, maar bij Jezus voel je je veilig. Je besluit nog een stapje verder te gaan: met bonkend hard loop je de eetkamer in. Je kunt hem bijna aanraken, en dan kijkt Jezus om. Niet geschrokken, of boos of veroordelend, maar vriendelijk. Je barst in huilen uit,  en, o wat stom, je huilt Jezus er helemaal onder. ‘Sorry, sorry, dat was niet mijn bedoeling, ik los het op!’ Er is geen doekje voor handen – dan maar met je haren. Als je daar zo voor Jezus op de grond ligt, besluit je helemaal alles te geven: het kruikje olie, dat je altijd als een soort luchtverfrisser meedraagt, breek je open, en je zalft Jezus’ voeten.

De ‘oh’s’ en ‘ah’s’ klinken overal: kan Jezus niet tegen deze vrouw beschermd worden? Maar Jezus ondergaat het allemaal glimlachend. Simon trekt zijn conclusie: als Jezus een profeet is, had hij geweten hoe slecht deze vrouw is. Een te snelle conclusie, want Jezus weet niet alleen wie deze vrouw is, waar je geen profeet voor hoeft te zijn, want alles over haar ligt op straat, maar Jezus weet ook wat Simon denkt. Maar Jezus is echt een vriend van zondaars. Als hij je aankijkt staat in zijn ogen pure liefde. Iedereen kijkt je hier weg, maar Jezus niet. Hij omarmt je, met al die domme keuzes die je hebt gemaakt. Wat een bevrijding – wat een balsem voor je ziel!

Bij Jezus krijgen slechte mensen een tweede kans, of een derde, of een vierde, of een 1841e als je dat nodig hebt. In zijn spoor is ook de kerk zo’n plek: waar je niet wordt veroordeeld omdat je slecht bent, maar waar je je last mag neerleggen en een schone start mag maken.

Maar Jezus gaat nog een stapje verder: hij vergeeft de vrouw niet alleen, hij zet haar ook als voorbeeld neer! Daarom heb ik je ook geprobeerd mee te nemen in dat jij in dit verhaal niet Simon bent, maar die vrouw. Want alles waar jij je zo voor schaamt ligt dan wel op straat, maar Jezus gaat als het ware naast je zitten, en raapt al die domme keuzes op: ‘geef maar aan mij, ik weet er wel raad mee.’ Zo krijgt die vrouw iets waar Simon geen flauw idee van heeft: het fantastische gevoel er te mogen zijn, dat je nooit meer hoeft te doen alsof. Dat bevrijdende gevoel maakt je een mooier mens.

Simon kent dat gevoel niet. Hij wil gewoon een selfie met Jezus voor op zijn tijdlijn, met een mooie filosofische quote erbij. Verder doet Jezus hem niet zoveel, wat blijkt in zijn behoorlijk ongastvrije ontvangst. Hij kijkt niet in de spiegel. Geen moment laat hij de gedachte toe dat als zijn dromen verfilmd zouden worden, hij als de nieuwe zondaar van de stad wordt gezien – dat hij misschien ook wel een tweede kans kan gebruiken. Hij heeft te veel te verliezen. Dus blijft hij koel en zakelijk, houdt hij Jezus op afstand. Terwijl die vrouw, die niets meer te verliezen had, Jezus in haar hart heeft gesloten en hem overlaadt met alle liefde die ze in zich heeft.

Een tweede kans aannemen maakt je zeker niet lelijker! Een verblijf in de gevangenis kan dat ook uitwerken: nieuwe liefde, gaan voor de mensen die jou een nieuwe kans geven. Wat is het belangrijk zulke mensen te hebben! Als samenleving zijn we daar niet zo goed in. Het lijkt wel alsof we mensen die hun straf al hebben uitgezeten, toch zo lang mogelijk willen nadragen dat ze slecht zijn. In de gevangenis, en in hoe we met voormalig gedetineerden omgaan, leiden we heel wat mensen tot crimineel op… Geven we geen tweede kans. Maar als je eerlijk in de spiegel hebt gekeken, en beseft dat jouw dromen maar beter niet verfilmd kunnen worden, omdat dat jouw reputatie ernstig zou schaden, als iets hebt geproefd van die heerlijke genade van Jezus, dan wil je werkelijk alles voor Jezus doen. En dan zegt Jezus, onder andere over gevangenen: ‘wat je voor hen doet, dat heb je voor mij gedaan.’

3.   De spiegel

Durf jij in die spiegel te kijken, een voorbeeld te nemen aan zondaars, je hart te openen voor een tweede kans, en zo een veel mooier mens te worden?

Zometeen gaat M zijn verhaal vertellen. Ik wil je vragen ernaar te luisteren zonder je oordeel al klaar te hebben. Kijk in de spiegel, zet jezelf niet op afstand, en ontdek hoe ook jij een tweede kans krijgt. Of zelfs een 1841e. Amen.


Zoeken:

Op bijbelboek:

Op datum: