De een krijgt rijkdom in zijn schoot geworpen, de ander werkt keihard en blijft arm. In de bijbel staan daar mooie regels over.
Inleiding
Het is vakantie, dus een mooi moment om de grote wereldproblemen even op te lossen. Nee, zoals ik vorige week ook al zei: mijn plan was om het een beetje luchtig te houden, maar daarin ben ik dus niet bepaald geslaagd… De wereldproblemen oplossen is misschien ook wat al te ambitieus, maar we gaan er in ieder geval over nadenken. Vorige week over het milieu, volgende week over vreemdelingen, en vandaag over de economie.
Nu heb ik op school wel wat economie gehad, maar dat is al best lang geleden. Veel indruk heeft het in ieder geval niet op mij gemaakt. Hoogste tijd dus om mijn kennis over de economie wat bij te spijkeren. In de bibliotheek stuitte ik op een boekje van 2 journalisten, Rutger Bregman en Jesse Frederik, met de fascinerende titel: ‘waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers.’ Die moet je even op je laten inwerken: ‘waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers.’
Maar bankiers krijgen toch veel beter betaald? Zeker weten! Maar of ze het ook verdienen… Kijk maar wat er gebeurt als vuilnismannen staken. Tussen haakjes: wij klagen al over de HVC als ze hun werk doen… Maar in New York, februari 1968, staken de vuilnismannen. Ze willen beter betaald krijgen. In eerste instantie wil de burgemeester er niets van weten: vuilnismannen mogen niet eens staken, dus het mag al helemaal niet lonen. Maar in een paar dagen verandert New York in een sloppenwijk, wordt het geteisterd door een rattenplaag en wordt de noodtoestand uitgeroepen. Wanneer New York één grote vuilnisbelt dreigt te worden, krijgen de vuilnismannen op de 9e dag hun zin.
2 Jaar later, mei 1970, staken in Ierland de bankiers. Ook zij willen beter betaald krijgen. Maar tot ieders verbazing… gebeurt er niets. Zes maanden blijven de banken dicht, een half jaar!, maar zonder banken blijkt de wereld prima door te draaien. Ok, de functie van de banken wordt al snel overgenomen door de pubs, iets van een financiële sector is toch wel handig, maar de economie kan prima zonder bankiers.
Er klopt iets niet in de economie. Het systeem is gewoon niet eerlijk. De een krijgt zijn rijkdom in de schoot geworpen, de ander knokt keihard, maar blijft arm. In Nederland bezit de rijkste 10% 70% van wat we met elkaar hebben – en dat is niet alleen omdat zíj er zo hard voor werken. In de bijbel staan al regels die dat moeten voorkomen. Vanochtend is het thema: God en economie. We lezen Leviticus 25:23-38.
1. Economie voor straks
Vorige week lazen we het gedeelte hier direct voor, en wat daarvoor geldt, geldt ook voor dit gedeelte: dit zijn regels voor Israël voor als ze straks het beloofde land innemen. Economie voor straks dus.
Op dit moment zwerven de Israëlieten door de woestijn, op weg van Egypte naar Kanaän, het beloofde land. Dat betekent: alles wat ze bezitten, moeten ze steeds meenemen. Bedenk dat kamelen en paarden geen trekhaak hebben om je aanhangwagen vol bezittingen aan te koppelen. Het was al een luxe áls je een paard had. De meeste eigendommen waren dus achtergebleven in Egypte. Ze hadden kleren, tenten, keukengerei en misschien nog wat sieraden – that’s it.
En het mooie: dat gold voor iedereen! In de woestijn waren geen rijke Israëlieten, met kilometers land, een giga veestapel en meerdere buitenhuizen. Er waren ook geen arme Israëlieten, die hard moesten werken voor veel te weinig geld om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Nee: in de woestijn is iedereen gelijk – de woestijn maakt geen onderscheid.
Maar hoe zal dat straks gaan, in het beloofde land? Iedereen begint daar gelijk: je krijgt allemaal een eigen stukje land toegewezen. Niemand wordt voorgetrokken, niemand achtergesteld: ieder krijgt een eerlijk deel van het beloofde land. Maar zodra het zover is, zal de een goed boeren en de ander minder. De een bouwt een enorm vermogen op, de ander juist een schuldenberg. De economie van het beloofde land is een heel andere dan de woestijneconomie. Daarom regelt God in Leviticus 25 bij voorbaat al wat dingen.
De dingen díe God regelt, het jubeljaar, of genadejaar, en het renteverbod, dat zijn geen dingen die wij een op een moeten overnemen. Vorige week zei ik ook al: dit zijn Israëls wetten, niet de onze. Het zijn ook wetten uit een andere wereld. Er was toen nog geen sprake van een ingewikkeld monetair stelsel en niemand haalde het in zijn hoofd een lening aan te gaan met een looptijd van 30 jaar om een huis te kunnen bekostigen.
Maar dat jubeljaar en renteverbod geven wel diepe inzichten over hoe de economie kan functioneren op een manier die bij God past. Het zijn veel meer dan regels: in deze regels spreekt Gods hart. En dat kunnen we goed gebruiken: economie met een hart!
Eén van de dingen die ik afgelopen week uit dat boekje geleerd heb, is dat de economische wetenschap in de afgelopen 200 jaar is veranderd van een moraalwetenschap in een exacte wetenschap. In de 19e eeuw ging de economische wetenschap over waarden en idealen, maar tegenwoordig gaat het over cijfers, cijfers en nog meer cijfers. Het is een soort wiskunde geworden, de economie als machine, waar de vraag naar wat wenselijk is gewoon niet meer wordt gesteld. Misschien dat ik me daarom zo weinig van mijn lessen economie herinner… Wat is het in de economie hard nodig weer over waarden na te denken! Leviticus 25 kan ons daarbij helpen.
2. Een eerlijke economie
Want hier geeft God aanwijzingen voor een eerlijke economie. In dit gedeelte van Leviticus 25 geeft God regels die armoede en ongelijkheid beperken en ervoor zorgen dat ieder een eerlijke kans krijgt.
Laten we eerst eens kijken naar dat renteverbod. Dat sluit mooi aan bij een probleem dat ik in dat boek over vuilnismannen en bankiers tegenkwam, namelijk het probleem van de ‘bullshit jobs’. Van sommige beroepen is direct duidelijk wat de toegevoegde waarde is voor de samenleving. Zeg maar de beroepen waarvoor geldt dat als zij gaan staken het land in mum van tijd plat ligt. Aan de andere kant heb je beroepen die niets meer doen dan profiteren van de toegevoegde waarde van een ander. Bijvoorbeeld advocaten die elkaar bestoken met procedures en daarmee hun eigen werk creëren. Voor de goede orde: advocaten zijn hard nodig, maar als het niet meer om het recht gaat, maar om hoe je door van de wet gebruik te maken goed kunt verdienen, dan voegen ze niets meer toe.
Het is alsof God dit probleem in Leviticus 25 al voorziet: ‘wanneer je een volksgenoot iets leent, mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen.’ Dit gebod is heel lang heel serieus genomen: tot diep in de Middeleeuwen was rente een manier om over de rug van een ander rijk te worden. Er waren toen nog geen banken die je geld leenden om een huis te kunnen bouwen of te kunnen investeren in je bedrijf. Toen dat, ergens aan het einde van de Middeleeuwen, opkwam, zei Johannes Calvijn dat in zulke gevallen best rente gevraagd mag worden: dan is rente een investeringsvergoeding – en daar gaat Leviticus 25 niet over.
Het gaat wel over het winst maken over de rug van een ander in plaats van zelf iets nuttigs te doen. Uit bronnen uit de tijd van de bijbel blijkt dat een rentepercentage van 20% op jaarbasis geen uitzondering was. Oftewel: als je een beetje geld had, was uitlenen een fantastisch verdienmodel. Maar moest je geld lenen, dan was je echt de klos, dan waren je kansen voorgoed verkeken. Iets als een schuldsanering bestond uiteraard niet. De enige optie die je dan nog had was jezelf als slaaf aanbieden.
Met het renteverbod wil God Israël beschermen tegen profiteurs. Hij wil niet dat mensen die veel geld hebben daarmee nog rijker kunnen worden terwijl de mensen die al weinig hebben ook nog in een negatieve spiraal van schulden terecht komen. In de economie mag het niet draaien om kale winst, een eerlijke economie is dienstbaar aan mensen!
Dan die andere wet, die de hoofdmoot is van Leviticus 25: het jubeljaar. Vorige week kwam die ook al even voorbij, maar nu kijken we ernaar vanuit economisch gezichtspunt. Kort gezegd: het jubeljaar zorgt ervoor dat iedereen een eerlijke kans krijgt. Eens in de 50 jaar wordt de economie gereset en gaat al het land terug naar de oorspronkelijke eigenaar en zijn familie. Dan kun je weer starten met een schone lei.
In Nederland geloven we graag dat iedereen gelijke kansen heeft, en in theorie is dat ook zo: scholen zijn voor iedereen toegankelijk en als je op grond van je achternaam niet wordt aangenomen is dat discriminatie en daar kun je een advocaat op zetten. Toch blijkt dat in de praktijk tegen te vallen. Als je in het goede gezin geboren wordt heb je veel meer kansen. Zijn je ouders rijk, dan sta je zelf ook goed voorgesorteerd om rijk te worden. Maar kom je uit een arm nest, dan is dat veel lastiger.
De reset van het jubeljaar schakelt iedereen weer gelijk. Je begint allemaal weer op 0, zonder erfenis van je voorouders. Dus geen grote zak geld van je betovergrootvader, maar ook niet de schulden van je vader: ieder begint weer met zijn eigen stukje land. Jouw nageslacht wordt dus niet 10 generaties lang opgezadeld met jouw foute keuzes, en jouw kinderen kunnen er niet voor kiezen te stoppen met werken omdat jij al wel genoeg voor ze hebt verdiend. Er blijft verschil tussen de bankier en de vuilnisman, maar hun kinderen kunnen gewoon opnieuw beginnen.
Helaas is dat hele jubeljaar, in tegenstelling tot het renteverbod, nooit gehouden. In de woestijn, waar iedereen gelijk was, leek het misschien nog wel een goed idee, maar zodra in het beloofde land mensen hun eigen bezit opbouwden werd deze wet opeens een bedreiging. Zodra mensen aan bezit ruiken, worden ze hebberig… Maar God is dat jubeljaar niet vergeten! In Lucas 4 zegt Jezus over zichzelf: ‘De Geest van de Heer rust op mij om een genadejaar van de Heer,’ dat is een jubeljaar, ‘uit te roepen.’ Bij Jezus begint een eerlijke economie!
Je kunt proberen de regels van Leviticus 25 te vertalen naar de politiek van vandaag. Het renteverbod kun je vertalen in strenge regels voor de financiële markten. Het jubeljaar kun je vertalen in een hoge belasting op bezit en vermogen en een hoge erfbelasting – erven is een van minst eerlijke manieren om aan je geld te komen, samen met speculatie op grond of aandelen en de loterij. Maar zelfs als de politiek dat doet, wat niet heel waarschijnlijk is, de erfbelasting wordt door politici ook wel ‘sterftaks’ genoemd, zelfs dan bén je er nog niet.
Er is iets nodig wat de politiek niet kan afdwingen: het besef dat ‘mijn’ geld niet van mij is. Ik moet mijn hebzucht opgeven – en dat krijg je niet met regels voor elkaar. In Levicitus 25 is dát ook de motivatie. Vers 23: ‘want het land behoort mij toe’. Vers 38: ‘Ik ben de Heer, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie Kanaän in bezit te geven.’
Alles is van God, en alles wat jij ‘bezit’ heb je van God gekregen! Zodra ik denk dat iets van mij is en dat ik ergens recht op heb, gaat het mis. De Franse filosoof Rousseau zei in de 18e al dat het misging toen iemand een stukje grond omheinde en zei: ‘dat is van mij’, en anderen nog zo stom waren het te geloven ook. De enige manier om verder te komen, is je hebzucht opgeven. En dat kan, als je weet dat alles van God is, dat hij wel voor je zorgt, dat Jezus arm geworden is om jou rijk te maken, aldus Paulus, dat je in plaats van aardse schatten beter schatten in de hemel verzamelen kunt.
3. Genoeg!
Het is makkelijk naar anderen te wijzen, maar begin liever met je eigen hebzucht. Of, positief gezegd: leer tevreden te zijn met wat je hebt, leer dat je genoeg hebt. Maar hoe kun je dat oefenen?
5 Ideeën daarvoor. Kijk maar welke bij je past. Of waar je je juist heel ongemakkelijk bij voelt – dat zou dan wel eens je grootste uitdaging kunnen zijn. 1: Trakteer eens! Gewoon, omdat het leuk is. 2: Nodig mensen uit voor een feestelijke maaltijd. Een pannenkoekenfeestje is altijd leuk, maar als je wilt leren wat minder hebzuchtig te worden zou je je gasten ook een heerlijk driegangendiner kunnen serveren. 3: Leen uit! Bijvoorbeeld je auto. Of je huis – dat als jij op vakantie bent, iemand anders van jouw huis en de Zaanstreek kan genieten! 4: Geef weg! Geld bijvoorbeeld, of iets dat je over hebt. 5: Doe vrijwilligerswerk. Werk waar je geen geld voor krijgt.
Het béste recept tegen hebzucht is dankbaarheid: als je God dankbaar bent voor alles wat je hebt gekregen, dan is dat ook genoeg. Tel daarom je zegeningen – voor je het weet heb je wel 10.000 redenen tot dankbaarheid! Amen.
