Als je je naam hoort, luister je beter. Je weet: dit is voor mij bedoelt. Pasen is: Jezus noemt je bij je naam!
Inleiding
Mijn favoriete moment van de week, dat is de zaterdagochtend. Eerst uitslapen, en dan rustig ontbijten met de krant. Gewoon een ouderwetse papieren krant, die je kunt aanraken en ruiken: een krant op een schermpje – dat is geen krant. Op zaterdag is die krant ook nog eens extra dik, met niet 1, niet 2, maar 3 bijlagen. Onder handbereik staat een kop koffie te dampen – meer heb ik niet nodig: een krant en koffie. ‘Lekker geslapen?’ ‘Kun je me de hagelslag aangeven?’ ‘Hé, niet schoppen!’ Om mij heen gebeurt van alles, maar ik merk er niets van. Ik leef even in mijn krant.
Als Hanneke, mijn vrouw, een gesprek met me begint, gaat het dan ook helemaal langs mij heen. ‘Wat zullen we vandaag doen? We kunnen wel weer eens naar het strand gaan.’ Ik hoor er niets van, maar waarschijnlijk hmm ik net genoeg om Hanneke toch het gevoel te geven dat ik luister… ‘Of we gaan naar een museum,’ gaat Hanneke verder, ‘of heb je liever gewoon een rustig dagje thuis?’ Ik reageer niet – er bestaat voor mij even geen wereld buiten de krant en mijn kop koffie. ‘Hoor je me wel?’ Hanneke begint een beetje harder te praten, maar het ontgaat me volledig. Ik zit middenin een superinteressant verhaal, en nip intussen van mijn koffie. ‘Hé, ik praat met je, kom eens uit je krant!’ Maar ik hóór het niet eens…
‘Mark!’ Dát hoor ik wel. Als ik mijn naam hoor, dan ga ik aan. Mijn oog laat het verhaal dat ik las los en ik laat de krant een beetje zakken. ‘Ja, wat is er?’ ‘Heb je echt niets gehoord van wat ik zei?’ ‘Huh, zei je wat dan?’ ‘Ja, maar de volgende keer zal ik eerst je naam wel even zeggen.’
Misschien wordt jij minder in de krant opgezogen dan ik, of in je telefoonscherm, of in de tv, en luister jij ook wel als je naam niet genoemd wordt. Maar als iemand je bij je naam noemt, dan is dat wel extra bijzonder. Dan weet je: dit is speciaal voor mij bedoeld. En het mooie nieuws dat ik jullie vandaag mag vertellen, is dat Jezus je roept, bij je naam. En als je het hoort, dan ga je leven.
1. Verloren hoop
Dat kan Maria wel gebruiken. Ze stond erbij, afgelopen vrijdag, toen haar meester, Jezus, werd gekruisigd. Het was alsof met Jezus’ leven ook haar leven verdween. Ze voelde elke spijker in haar eigen lichaam, elke spottende opmerking sneed door haar ziel. Nu kan ze alleen nog maar huilen. Ze is gestopt met voor elke traan haar zakdoek pakken, want die zakdoek is inmiddels doorweekt.
‘Maria uit Magdala’ wordt ze ook wel genoemd. Dit ter onderscheid van de andere Maria’s rondom Jezus: Maria de moeder van Jezus en Maria de zus van Lazarus. Maria uit Magdala, onze Maria, had een bijzondere band met Jezus. Voor ze Jezus had leren kennen, was ze bezeten geweest door 7 demonen, 7 slechte geesten. Haar leven was een hel, en Jezus had haar eruit bevrijd. Maar Jezus is er niet meer. Nu zullen de demonen vast weer terugkomen. Maria heeft geen leven meer, zonder Jezus is alle hoop verloren.
Dat gevoel, dat er geen hoop meer is, dat kan je aanvliegen. Eigenlijk is het best gek dat ik zo verdiept in de krant kan zijn, want zo veel leuke dingen lees je daar nou ook weer niet. Na 2 jaar corona kunnen we eindelijk weer gewoon Pasen vieren, zonder dat we op een schermpje moeten meedoen. Maar er is genoeg andere ellende om de krant mee te vullen. Oorlog in Oekraïne. Armoede en ongelijkheid, ook in Nederland. Een wereld die door opwarming onleefbaar wordt. Komt het ooit nog goed? Is er nog hoop, is er nog leven?
2. Jezus roept je naam
Zo, zonder hoop, komt Maria die zondag bij Jezus’ graf. Ze krijgt daar allemaal signalen dat Jezus leeft, maar het gaat net als wanneer ik in mijn krant verdiept ben: ze merkt het niet eens. Bijvoorbeeld de doeken die in het lege graf liggen. Het was in Israël niet de gewoonte iemand in een kist te begraven, zoals wij dat doen, maar om iemand in doeken in te wikkelen, als een soort mummie. Die doeken werden met olie ingesmeerd, en daarvan werden ze hard. Maar nu is er iets geks aan de hand met die doeken: het lijkt alsof Jezus er gewoon in ligt, de doeken hebben de vorm van Jezus lichaam, alleen het doek dat om Jezus hoofd zat, ligt apart, En als je beter kijkt, zie je dat de doeken leeg zijn. Dat kán helemaal niet: de enige manier om het lichaam van Jezus uit die doeken te krijgen, was om die doeken van hem af te scheuren. Als Johannes het ziet, begint er bij hem een lampje te branden: hij beseft dat hier iets bijzonders aan de hand is. Hij vertelt Maria van zijn ontdekking, maar Maria hoort het niet eens.
Als Johannes en Petrus weer vertrokken zijn, krijgt Maria nóg zo’n signaal. Ze loopt het graf weer in, en daar zijn opeens 2 engelen! Als je engelen ziet, dan weet je dat er iets heel bijzonders is gebeurd. En als die engelen je dan ook nog vragen: ‘waarom huil je’, dan wéét je dat er iets is gebeurd waardoor je niet meer hoeft te huilen. Maar Maria weet helemaal niets, en loopt weer naar buiten.
Daar komt ze een man tegen. Ze ziet hem, maar toch ook weer niet. ‘Vertel me, waar is hij?’ – het komt eruit als een beschuldiging. De man kijkt naar haar, met zijn sprekende ogen. Nog ziet Maria het niet. Tot hij dat ene woord zegt, haar naam noemt: ‘Maria’. Op dat moment dringt het tot haar door, herkent ze hem, en vliegt hem om de hals: ‘mijn meester!’ Opeens voelt ze de zon op haar huid, ziet ze overal schitterende bloemen, en hoort ze de vogels het mooiste lied fluiten. Ze voelt het leven terugstromen in haar lijf. ‘Maria’ – dat ene woord verandert alles. Deze paasochtend is niet alleen Jezus opgestaan: ook Maria komt weer tot leven!
Dat gebeurt als Jezus je naam noemt. En Jezus houdt daar niet op. Want Jezus noemt ook jouw naam, noemt mijn naam. Dat zegt Jezus in Johannes 10, waar hij zichzelf met een herder vergelijkt, en de schapen bij hun naam roept, en die schapen zijn stem herkennen. Jezus roept niet alleen Maria – hij roept ook jou bij je naam!
Dat Jezus is opgestaan, dat is op zich al fantastisch, en geeft nieuwe hoop. Maar dat Jezus je kent, je naam noemt, dat is nog veel mooier! Dan komt het binnen. Dan weet je: dit is voor mij! Dan voel je het leven stromen, dan weet je: het kómt goed. Dan is niet alleen Jezus opgestaan, maar jij ook!
3. Hoor je het?
Jezus leeft – en hij noemt je bij je naam. Hoor je het? Je kunt het op allerlei manieren horen. In een bijbeltekst die bij je binnenkomt. In een lied dat in je hoofd blijft zingen. In een ontmoeting die je nodig had. In een kerkdienst waarin je voelt dat God er is. Hij noemt je bij naam, hoor je het?
Vandaag mag je het ook horen in zijn maaltijd. Die maaltijd vieren we als symbool van hoop en leven. Het is het feest dat we aan de Levende verbonden zijn. Daarom wil ik je graag uitnodigen om zo naar voren te komen. Als je gelooft dat Jezus je Redder en Heer is, ben je van harte welkom bij deze maaltijd. Ook als je geen belijdenis hebt gedaan, of als je niet zo goed weet wat je met Jezus moet, ben je welkom om naar voren te komen: dan krijg je een zegen, in plaats van brood en wijn. En als je dan naar voren komt, dan mag je je naam horen. Letterlijk: want ik wil al jullie namen noemen. Nu ben ik Jezus niet, en het kan zijn dat ik niet alle namen weet, dan mag je mij eerst even je naam vertellen, maar dan zal ik, namens Jezus, je naam noemen. Want Jezus leeft, en hij kent je bij je naam. Halleluja!
(Gebed)
