3 Meditaties bij Goede Vrijdag. Aan het kruis zegt Jezus niet veel. Maar wat hij zegt, zijn prachtige woorden!
‘Ze weten niet’
‘Ze weten niet wat ze doen?!’ Het is dat deze woorden uit de mond van Jezus zelf komen… Maar al te vaak beroepen mensen zich op onwetendheid, om hun eigen fouten te verbloemen. Berucht is het Duitse ‘wir haben es nicht gewusst’. Stel je voor dat Judas dat had gezegd: ‘sorry hoor, ik wist het niet.’ Of Petrus. Of de Joodse raad. Of Pilatus. Of Herodes. Of de soldaten. Het pijnlijke is dat ze allemaal maar al te goed wisten dat, wie Jezus dan ook is, deze executie op geen enkele manier te rechtvaardigen is.
Maar de wereld heeft zich tegen Jezus gekeerd. In de loop van de nacht en ochtend is duidelijk geworden dat Jezus er alleen voor staat. De eersten die hem afvielen, waren zijn eigen vrienden: Judas, met zijn kus, en Petrus, die niet met Jezus geassocieerd wil worden. Van de Joodse raad viel weinig goeds te verwachten, en inderdaad: ze zijn unaniem in hun oordeel – Jezus is een godslasteraar. Het volk daarentegen kon Jezus wel waarderen. Nog geen week geleden was het ‘hosanna’ en ‘halleluja’. Nu is het: ‘weg met hem, kruisig hem!’ Pilatus wíl Jezus wel recht doen, maar durft niet. En gedurende deze dramatische rechtsgang is Jezus een speeltje voor de soldaten die ook wel eens een verzetje willen.
Het is onbegrijpelijk dat Jezus zich niet laat kennen. Als Jezus eindelijk uit zijn slof was geschoten, ‘weet je wat, stik er allemaal ook maar in’, dan had ik het hem vergeven. Wat Jezus moet doormaken is onmenselijk. De soldaten die de executie moeten uitvoeren, krijgen dan ook meestal de volle laag over zich heen. Ze kenden elke verwensing, elke vervloeking. Dat hoorde er nu eenmaal bij.
Maar over Jezus’ lippen komt geen vloek. Ook op dit moment, waarop niemand het raar had gevonden als Jezus zijn eigen hoge standaarden zou breken, ook nu komt over Jezus’ lippen geen vloek, maar stroomt zijn mond over van zegen! Jezus zwelgt niet in zelfmedelijden of de slachtofferrol, hij is niet eens met zichzelf bezig, nee: ook nu gaan de anderen Jezus aan het hart.
Als Jezus om zich heen kijkt, raakt het hem: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen!’ Uit elke andere mond was het een goedkope smoes geweest. Maar Jezus ziet geen vijanden, geen beesten, geen boze wereld. Jezus ziet mensen met een grote mond, maar een klein hart. Bange mensen, die denken niet anders te kunnen. Mensen die oprecht niet beseffen wie Jezus is.
Mensen zoals ik dus. Ook ik besef nog niet half dat Jezus de Zoon van God is. Dan laat ik Jezus weer alleen. En Jezus weet het: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’
‘In het paradijs’
Lotgenoten zijn het – Jezus en de 2 misdadigers. Wie niet beter weet zou denken dat ze ‘partners in crime’ zijn. De Romeinen waren niet scheutig met het uitdelen van de doodstraf door kruisiging. Ze vonden het zelf ook een mensonwaardige straf, die ze reserveerden voor die situaties waar een afschrikwekkend voorbeeld gesteld moest worden. Bijvoorbeeld voor pogingen het Romeinse gezag te ondermijnen.
In die dagen was Israël een broeinest voor dat soort staatsgevaarlijke elementen. Het volk droomde van een held die de Romeinen zou verjagen en het paradijs zou vestigen. Voor sommigen ging dat verder dan dromen. In Israël waren terroristische splinterbewegingen actief – ze werden zeloten genoemd. Zij wilden het paradijs zelf maar stichten en schuwden daarbij geweld niet. Het was zeker geen goed geoliede terreurmachine, maar genoeg om de Romeinen flink bang te maken.
Laten we er even vanuit gaan dat Jezus inderdaad naast 2 zulke terroristen hangt. Het waren mannen met grote idealen. Zoals alle terroristen hadden ze een groter doel: het paradijs. Maar dat paradijs is verder weg dan ooit. Hun dromen belanden met hen aan het kruis. Gedesillusioneerd hangen ze daar. Tussen hen in hangt Jezus – alsof hij de leider van het stel is.
Voor de een is Jezus een welkome afleiding. Alles wat zijn laatste uren kan verzachten is mooi meegenomen, ook al gaat dat over de rug van een ander. Hij spot met de omstanders mee: ‘als jij dan echt de messias bent, red jezelf dan, en kom van dat kruis af. En als je toch bezig bent, kun je ons ook wel even redden. Dan ben je past echt een koning!’
De ander hoort het aan, maar lacht niet mee. Hij ziet dat Jezus anders is dan hij en zijn maat, geen mislukte terrorist. Uit alles wat Jezus zegt, en misschien wel vooral: niet zegt, trekt hij de conclusie: hij is het echt – de messias, de zoon van God, de koning van de Joden! Hij en zijn maat hebben het paradijs niet kunnen brengen, maar die Jezus naast hem is op weg naar zijn koninkrijk – hij weet het zeker!
Hij heeft niets meer te verliezen, en waagt het erop: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ Jezus’ antwoord overtreft zijn stoutste verwachtingen: ‘ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ Het paradijs! De spotters hadden gelijk: Jezus is gekomen om te redden. Als je met lege handen bij hem komt, het bijna niet durft te vragen, en prevelt ‘denk aan mij Heer’, dan gaat een paradijs voor je open!
‘In uw handen’
Het kruis is een uitputtingsslag. Waar gekruisigden zich eerst nog verzetten en hun beulen vervloeken, geven ze zich meestal snel aan hun lot over. De pijn en de hitte eisen alle aandacht op. Als ze ondraaglijk worden treedt bewusteloosheid in. Vaak is niet eens duidelijk wat het tijdstip van overlijden is.
Hoe anders gaat het bij Jezus. Het lijkt wel alsof Jezus de regie neemt, alsof hij er zelf voor kiest op dit moment te gaan. Hij kiest bewust zijn laatste woorden. Hij fluistert ze niet, maar roept met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’
Het zijn woorden uit de Psalmen. Psalm 31, om precies te zijn. Bij zijn dood zingt Jezus dit lied. Psalm 31 is niet de vrolijkste van de Psalmen. Het gaat over ogen die gezwollen zijn van verdriet, over het verkwijnen van lichaam en ziel, over mensen die wegkijken en over je fluisteren. Tot zover lijkt het best een toepasselijke Psalm. Maar: Psalm 31 is geen Psalm voor bij het sterven – God redt juist uit de meest hopeloze omstandigheden! ‘In uw hand liggen mijn lot en mijn leven, bevrijd mij.’
In de Joodse traditie is Psalm 31 een avondgebed geworden. Als een belijdenis dat God over je waakt zodat je de volgende ochtend weer fris kunt beginnen. Zoals ik mijn kinderen bij het naar bed gaan toezing: ‘ik ga slapen, ik ben moe / Here dek mij lekker toe, met uw liefde warm en zacht / en bewaar mij deze nacht,’ zo zongen Joodse moeders Psalm 31 voor hun kinderen. Zo heeft Maria het gezongen voor haar Jezus: ‘lieve Jezus, slaap gerust, leg je geest maar in Gods handen.’
Ik vind dat een ontroerende gedachte. Jezus hoort het zijn moeder nog zingen, en zingt mee: ‘ik ga slapen, ik ben moe – ‘k leg mijn geest in uwe handen.’ Jezus sterft als een kind dat in Vaders armen in slaap valt. Klaar voor een nieuwe dag.
